De minister van Asiel en Migratie legde op 25 november 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 behandeld en het onderzoek gesloten.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf 5 december 2025, het moment van het sluiten van het vorige onderzoek. Eiser stelde dat de minister te laat had gehandeld met betrekking tot de bevestiging van zijn Algerijnse nationaliteit en het boeken van een vlucht. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld, onder meer door het voeren van een vertrekgesprek, het rappelleren op de lp-aanvraag, en het plannen van een vlucht op 29 januari 2026.
De rechtbank vond geen aanleiding om een lichter middel dan bewaring op te leggen, omdat eiser geen gronden had aangevoerd die daartoe leidden. Ook was er voldoende zicht op uitzetting naar Algerije, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en de bereidheid van de Algerijnse autoriteiten om een laissez-passer te verstrekken.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.