ECLI:NL:RBDHA:2026:1497

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL25.27382
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jongvolwassenenbeleid en de beoordeling van bijzondere omstandigheden in asielzaken

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 29 januari 2026, wordt het beroep van eisers gegrond verklaard. Eisers, ouders en broers van een referent die in 2015 een verblijfsvergunning asiel heeft gekregen, hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij de referent te kunnen verblijven. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag afgewezen, omdat de bijzondere omstandigheden van eisers niet in de beoordeling zijn betrokken. De rechtbank oordeelt dat de minister deze omstandigheden wel degelijk moet meewegen, vooral gezien eerdere toezeggingen van de minister in een eerdere procedure. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit van de minister en draagt hem op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met de bijzondere omstandigheden van eisers. De rechtbank wijst ook het verzoek om vrijstelling van het griffierecht toe en kent eisers een proceskostenvergoeding toe van € 1.814,-.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27382

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam]

V-nummer: [nummer],
en
[naam],
V-nummer: [nummer]

[naam],

V-nummer: [nummer]
[naam],
V-nummer: [nummer]
[naam],
V-nummer: [nummer]
[naam],
V-nummer: [nummer]
[naam],
V-nummer: [nummer],
samen: eisers
(gemachtigde: mr. U.H. Hansma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister niet in stand kan blijven, omdat de minister de bijzondere omstandigheden van eisers niet in de beoordeling heeft betrokken. Eisers krijgen dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 15 maart 2022 een mvv aanvraag ingediend voor verblijf bij hun zoon en broer [naam] (referent) in verband met familie- of gezinsleven. De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 20 september 2023 afgewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 26 mei 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.2.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, referent, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Voorgeschiedenis

3. Eisers stellen dat zij de ouders en broers van referent zijn. Referent heeft in 2015 een verblijfsvergunning asiel gekregen. Referent was op dat moment minderjarig.
4. Eisers hebben in 2015 voor de eerste keer mvv-aanvragen ingediend voor verblijf bij referent. De minister heeft de aanvragen van de ouders in het kader van nareis en de aanvragen van de broers voor verblijf bij familie- of gezinslid afgewezen, omdat de familierelatie met referent niet was aangetoond. Eisers waren namelijk niet beschikbaar voor nader (DNA-)onderzoek.
5. Op 7 februari 2019 hebben eisers opnieuw aanvragen gedaan voor verblijf bij referent in het kader van nareis (ouders) en gezinsleven (broers). De minister heeft deze aanvragen afgewezen, omdat eiser ten tijde van de aanvraag meerderjarig was en zijn ouders niet behoorden tot de categorie gezinsleden waarvoor de nareisprocedure bedoeld is. Verder was volgens de minister niet aannemelijk dat tussen referent en zijn broers sprake was van bijzondere banden. De minister heeft het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
6. In de uitspraak van 4 januari 2021 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, het beroep ongegrond verklaard. [1] De rechtbank heeft in deze uitspraak geoordeeld dat de minister terecht de datum van de (tweede) mvv-aanvragen als peildatum voor de leeftijd van referent heeft gehanteerd en referent terecht als meerderjarig heeft aangemerkt. De rechtbank heeft verder het volgende overwogen:
“Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de ouders van referent niet behoren tot de categorie waarvoor artikel 29, tweede lid, onder c, van de Vw bedoeld is. Verweerder heeft de ouders van referent kunnen verwijzen naar een reguliere procedure voor gezinshereniging in het kader van artikel 8 van het EVRM. Daar dient verweerder zoals blijkt uit de voornoemde Afdelingsuitspraak [2] (…) de door eisers aangevoerde bijzondere omstandigheden te betrekken. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder ook toegezegd dat deze door eisers aangevoerde omstandigheden later, bij een reguliere aanvraag in het kader van de belangenafweging - in hun voordeel - zullen worden betrokken.”
7. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep van eisers tegen deze uitspraak op 18 mei 2021 ongegrond verklaard. [3]

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
8. De minister heeft de aanvraag van eisers weer afgewezen. Volgens de minister hebben eisers de feitelijke gezinsband tussen hen en referent niet aannemelijk gemaakt. Bovendien vindt de minister dat geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM [4] . Referent voldoet niet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid, omdat hij stappen heeft gezet naar zelfstandigheid. Verder is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers en referent.
Het griffierecht
9. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen.
De voorgeschiedenis en bijzondere omstandigheden
Wat vinden eisers?
10. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte de bijzondere omstandigheden van eisers niet heeft meegenomen in het bestreden besluit. De minister heeft in de vorige procedure toegezegd om deze omstandigheden in het voordeel van eisers mee te wegen bij een reguliere aanvraag. Deze toezegging van de minister brengt volgens eisers met zich dat de voorgeschiedenis niet uitsluitend in het kader van de belangenafweging, maar ook ten aanzien van het aannemen van de gezinsband en het gezinsleven in hun voordeel moet worden meegewogen. Eisers vinden dat zij buiten hun schuld om met steeds striktere voorwaarden voor hun aanvraag te maken hebben gekregen, eerst doordat referent niet langer minderjarig was en vervolgens door een wijziging in de jurisprudentie. Verder hebben eisers al in de bezwaarfase gewezen op het evenredigheidsbeginsel en het feit dat in de eerste nareisprocedure het voordeel van de twijfel is gegeven. De minister heeft dat volgens eisers ten onrechte niet kenbaar in het bestreden besluit betrokken.
Wat vindt de minister?
11. De minister heeft overwogen dat hij in de vorige procedure heeft toegezegd dat hij de bijzondere omstandigheden van eisers bij een reguliere aanvraag in het kader van de belangenafweging in hun voordeel zal betrekken. De minister stelt zich op het standpunt dat hij inmiddels door veranderde jurisprudentie van de Afdeling geen belangenafweging meer hoeft te maken als er geen sprake is familie-of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Aangezien daarvan geen sprake is, is de minister van mening dat hij in het bestreden besluit terecht geen belangenafweging heeft gemaakt en de bijzondere omstandigheden niet bij de beoordeling kon en hoefde te betrekken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
12. De rechtbank stelt allereerst vast dat eisers de volgende – door de minister niet weersproken – bijzondere omstandigheden naar voren hebben gebracht. Referent is door zijn vlucht noodgedwongen op zijn zestiende gescheiden van eisers. Hij heeft na zijn asielprocedure tijdig een aanvraag gedaan om nareis voor eisers en hij was op dat moment minderjarig. De nareis-aanvraag is afgewezen, omdat eisers door de situatie in hun land niet beschikbaar waren voor DNA-onderzoek. Eisers zijn in februari 2017 opgepakt tijdens een poging om naar Ethiopië te vluchten in verband met de afspraak voor het DNA-onderzoek. De ouders hebben vervolgens een periode in detentie gezeten. Eisers stellen zich op het standpunt dat de gezinsband en het gezinsleven zouden zijn aangenomen als zij beschikbaar waren geweest voor DNA-onderzoek en dit DNA-onderzoek positief was. Het gezin zou dan herenigd zijn. Eisers zijn, zodra dit kon, alsnog uit Eritrea vertrokken en verblijven inmiddels geruime tijd (moeder en broers sinds 2018 en vader sinds 2019) in een vluchtelingenkamp in Ethiopië. Referent heeft in 2019 opnieuw een nareis-aanvraag gedaan. Deze aanvraag is afgewezen, omdat eiser inmiddels meerderjarig was en hij daarom een reguliere aanvraag had moeten doen. Vervolgens heeft referent de onderhavige aanvraag gedaan. Eisers hebben verder gewezen op de uitzichtloze situatie in het vluchtelingenkamp en de lange duur van de procedures tot nu toe.
13. De rechtbank stelt verder vast dat deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle in de uitspraak van 4 januari 2021 heeft geoordeeld dat de minister in een reguliere aanvraag de door eisers aangevoerde bijzondere omstandigheden dient te betrekken en dat de minister heeft toegezegd dat hij deze omstandigheden bij een reguliere aanvraag in het kader van de belangenafweging in het voordeel van eisers zal betrekken.
14. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat de minister ten aanzien van de bijzondere omstandigheden niet heeft kunnen volstaan met de enkele verwijzing naar gewijzigde jurisprudentie inzake de belangenafweging. Hoewel het gelet op de Afdelingsuitspraak van 27 maart 2024 [5] op zichzelf juist is dat de minister geen belangenafweging (meer) hoeft te maken als hij vindt dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, maakt dit de toezegging van de minister in de eerdere procedure niet ongedaan. Deze toezegging staat in rechte vast. Dat brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat de minister gehouden is om gestalte te geven aan de gedane toezegging en dat de bijzondere omstandigheden van eisers een plaats moeten krijgen in de beoordeling van de onderhavige aanvraag van eisers. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt bovendien dat een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op grond van een discretionaire bevoegdheid die is ingevuld met beleidsregels, zoals de aanvraag van eisers, moet nagaan of de toepassing van het beleid voor een of meer belanghebbenden gevolgen kan hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen (artikel 4:84 van de Awb). [6] Eisers hebben al in bezwaar gewezen op de aangevoerde bijzondere omstandigheden, de gedane toezegging en het evenredigheidsbeginsel. De minister had de bijzondere omstandigheden dan ook ten voordele van eisers in de beoordeling moeten betrekken en wegen.
14.1.
De rechtbank vindt daarbij ook van belang dat de minister bij de beoordeling van zowel de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid als de beoordeling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid alle relevante individuele feiten en omstandigheden moet betrekken. [7] De minister heeft dat in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank evenmin gedaan. De minister heeft zich immers alleen op het standpunt gesteld dat hij de aangevoerde bijzondere omstandigheden uitsluitend in het kader van de belangenafweging hoeft te betrekken.
14.2.
Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit niet kenbaar en niet deugdelijk gemotiveerd. De minister heeft in het besluit ten onrechte de bijzondere omstandigheden niet bij de beoordeling betrokken en heeft evenmin beoordeeld of de bijzondere omstandigheden aanleiding hadden moeten geven om af te wijken van de beleidsregels. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en bepalen dat de minister een nieuw besluit moet nemen. De minister zal in het nieuw te nemen besluit de bijzondere omstandigheden van eisers, conform de eerder gedane toezegging, in hun voordeel bij de beoordeling moeten betrekken. Het is aan de minister om te besluiten of hij dat doet in het kader van een belangenafweging, de inherente afwijkingsbevoegdheid en/of het evenredigheidsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien.
16. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister daarvoor zes weken de tijd.
17. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 26 mei 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814 aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten-Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer AWB 20/1179
2.Verwezen wordt naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2780.
3.Zaaknummer 202100749/1/V1.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 2 februari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:285) en 26 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2384).
7.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2145) en 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1188).