In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen het uitblijven van een tijdige beslissing van het UWV op haar bezwaar tegen het stopzetten van haar Ziektewetuitkering per 26 september 2025.
De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn van negen weken, zoals voorgeschreven in artikel 8:55d Awb, heeft overschreden en dat het beroep daarom gegrond is. Het UWV heeft als reden voor de overschrijding een structureel tekort aan verzekeringsartsen aangevoerd.
De rechtbank erkent dat in medische zaken waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake kan zijn van een bijzonder geval dat een langere beslistermijn rechtvaardigt. Op basis van eerdere jurisprudentie stelt de rechtbank een termijn van negen weken na verzending van de uitspraak vast waarbinnen het UWV de medische beoordeling moet verrichten en een besluit moet nemen.
De rechtbank wijst het verzoek van het UWV af om een langere termijn van 30 weken toe te passen, omdat onvoldoende is onderbouwd waarom hiervan moet worden afgeweken. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt.
Tot slot veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres.