Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14625

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
25/2491
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 2.17 Activiteitenbesluit milieubeheerArt. 2.18 Activiteitenbesluit milieubeheerWet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing handhavingsverzoek geluidsoverlast padelbanen in Den Haag bevestigd

Eisers hebben een handhavingsverzoek ingediend tegen geluidsoverlast veroorzaakt door twee padelbanen van Padelclub Dunamar in Den Haag. Het college wees dit verzoek af omdat geen overtreding van de geluidsnormen werd vastgesteld. Na vernietiging van het eerdere besluit door de rechtbank, werd een nieuw geluidsonderzoek uitgevoerd door Peutz B.V. op 14 oktober 2024.

De metingen toonden een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van circa 46 dB(A), waarbij rekening werd gehouden met een nauwkeurigheidscorrectie van 1 dB. Eisers voerden aan dat de vegetatiecorrectie niet was toegepast en dat de bedrijfssituatie niet representatief was, omdat één baan een uur onbespeeld was tijdens de meting. De rechtbank oordeelde dat de vegetatie niet zodanig dicht was dat het zicht volledig werd ontnomen, waardoor de correctie niet hoefde te worden toegepast.

Verder stelde de rechtbank vast dat het gebruik van één baan gedurende één uur onbespeeld conform de toezegging van vergunninghoudster representatief is voor de bedrijfssituatie. Ook het niveau van de spelers werd als niet relevant voor de representativiteit beoordeeld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situaties niet vergelijkbaar waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en handhaafde het besluit van het college.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek wordt ongegrond verklaard en het besluit van het college blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2491

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , uit [woonplaats] , eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. R.M. de Vletter)
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Padelclub Dunamaruit Den Haag, (vergunninghoudster)
(gemachtigde: mr. J. Hemelaar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van eisers om handhaving tegen de geluidsoverlast die zij ervaren als gevolg van het gebruik van twee padelbanen van Padelclub Dunamar aan de Laan van Poot 353A te Den Haag. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van het handhavingsverzoek. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers ongegrond is. Dit betekent dat zij geen gelijk krijgen en dat het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 10 februari 2021 een verzoek tot handhaving ingediend bij het college. Aan dit verzoek ligt ten grondslag dat eisers geluidsoverlast ervaren van het gebruik van twee padelbanen van vergunninghoudster.
2.1.
Met het besluit van 5 november 2021 (het primaire besluit) heeft het college het verzoek afgewezen omdat er volgens het college geen sprake was van een overtreding. Met het besluit van 27 juli 2022 op het bezwaar van eisers is het college bij dit besluit gebleven. Eisers hebben daartegen beroep ingesteld.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep van eisers in de uitspraak van 22 januari 2025 gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar van 27 juli 2022 vernietigd. [1] De rechtbank heeft daarin geoordeeld dat het college, onder verwijzing naar de tussenuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 15 mei 2024 [2] , erkent dat het geluidsonderzoek niet ten grondslag aan de afwijzing van het handhavingsverzoek kan worden gelegd omdat de geluidsmeting niet is uitgevoerd tijdens representatieve bedrijfsomstandigheden. De metingen zijn bovendien uitgevoerd zonder dat hierbij een toezichthouder aanwezig was, zodat die geen inzicht kan bieden in de feitelijke situatie ten tijde van de metingen. Het college heeft daarom de rechtbank gevraagd het besluit op bezwaar te vernietigen, zodat een nieuw besluit op het bezwaar kan worden genomen gebaseerd op een nieuw geluidsonderzoek. Gelet hierop heeft de rechtbank het college opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.
2.3.
Het college heeft de Omgevingsdienst Haaglanden (ODH) gevraagd om ter plaatse geluidsmetingen uit te voeren. De ODH heeft door Peutz B.V. (Peutz) op 14 oktober 2024 geluidsmetingen laten uitvoeren. De resultaten zijn neergelegd in het akoestisch onderzoek van 12 december 2024.
2.4.
Het college heeft op 21 februari 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (het bestreden besluit) waarbij het bezwaar van eisers opnieuw ongegrond is verklaard en de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden in stand is gelaten. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit het akoestisch onderzoek voldoende blijkt dat er geen sprake is van een overtreding van de geluidsnormen. Omdat vergunninghoudster heeft toegezegd ervoor te zorgen dat in de avondperiode altijd één baan gedurende één uur niet bespeeld wordt, zoals het geval was tijdens de meting op 14 oktober 2024, is de situatie van de geluidsmeting representatief voor de bedrijfssituatie van vergunninghoudster.
2.5.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben namens eisers deelgenomen: [eiser 1] en [naam 1] . Namens het college waren aanwezig: mr. R.M. de Vletter, [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] (van Peutz). De derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 5] (eigenares van Padelclub Dunamar) en haar gemachtigde.
2.7.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Eisers hebben op 10 februari 2021 om handhaving verzocht, zodat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Was er een overtreding?
Het onderzoek waar het bestreden besluit op is gebaseerd
4. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het college het handhavingsverzoek op goede gronden heeft afgewezen. Hierbij moet voorop worden gesteld dat het college alleen tot handhavend optreden kan overgaan als is vastgesteld dat zich daadwerkelijk een overschrijding van grenswaarden van de geluidsvoorschriften heeft voorgedaan. Het college dient daartoe voldoende zorgvuldig en op de representatieve bedrijfssituatie gebaseerd onderzoek te (laten) verrichten. [3]
4.1.
De geluidvoorschriften met grenswaarden zijn opgenomen in artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ingevolge dat artikel geldt voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,Lt ter plaatse van gevoelige gebouwen een standaardgeluidnorm van, voor zover van belang, 45 dB(A) voor de avondperiode. In artikel 2.18, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer staat dat bij het bepalen van de geluidniveaus het stemgeluid van bezoekers op het open terrein van een inrichting voor sport- of recreatieactiviteiten buiten beschouwing blijft. In artikel 2.18, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer staat dat bij het bepalen van het maximaal geluidniveau het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan buiten beschouwing wordt gelaten.
4.2.
Voorafgaande aan het geluidsmeting van 14 oktober 2024 heeft de ODH op 23 mei 2024 met een afvaardiging van bewoners van de Laan van Poot een meetplan besproken. De bewoners hebben het meetplan voorgelegd aan hun adviseur, [naam 6] , van Cauberg Huygen B.V.. De afspraken zijn vervolgens neergelegd in de notitie van Peutz van 26 juni 2024. Het meetplan is op 1 juli 2024 door de adviseur namens de bewoners akkoord bevonden.
4.3.
Vervolgens heeft Peutz op 14 oktober 2024 een geluidsmeting gedaan bij de woning van eisers. De metingen zijn uitgevoerd volgens de methode van II.1 (immissiemetingen) van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (de handleiding). De metingen hebben plaatsgevonden tussen 18.00 uur en 23.15 uur. Peutz heeft in het onderzoek van 12 december 2024 geconcludeerd dat op de gevels van de woningen aan de Laan van Poot [huisnummers] op circa 70 meter afstand van de padelbanen het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de avondperiode van 14 oktober 2024 afgerond 46 dB(A) bedraagt. Rekening houdend met de meetnauwkeurigheid die geen grotere fout in het eindresultaat veroorzaakt dan 1 dB, kan niet worden geconcludeerd dat de grenswaarde van 45 dB(A) voor de avondperiode wordt overschreden. Dit geldt voor de avond van 14 oktober 2024 waarbij tussen 19.00 uur en 22.00 alle banen in gebruik waren en tussen 22.00 uur en 23.00 uur één baan (de meest verafgelegen baan ten opzichte van de woningen) in gebruik was. Bij volledig gebruik van beide banen tussen 19.00 uur en 23.00 uur waarbij er vanuit wordt gegaan dat in het laatste uur hetzelfde gestandaardiseerde geluidsimmissie-niveau als tussen 19.00 uur en 22.00 uur geldt, bedraagt het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau in de avondperiode afgerond 47 dB(A).
4.4.
Het college heeft eisers in de gelegenheid gesteld om op het onderzoek van Peutz te reageren. Namens eisers heeft Cauberg Huygen B.V. op 23 december 2024 een inhoudelijke reactie op het onderzoek gegeven. Peutz is vervolgens in de notitie van 14 januari 2025 nader ingegaan op deze punten.
4.5.
Hierna bespreekt de rechtbank de gronden die eisers naar voren hebben gebracht tegen het onderzoek van Peutz en de conclusie die het college daaraan heeft verbonden.
Vegetatiecorrectie
5. Eisers voeren aan dat Peutz ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de zogenoemde vegetatiecorrectie. Als deze correctie van 1 dB wel wordt toegepast, zoals vastgelegd in het meetplan, wordt de grenswaarde overschreden. Voor zover de stelling van Peutz dat er op 14 oktober 2024 geen volledig dichte vegetatie meer was al juist is, wat niet het geval is, moet alsnog de vegetatiecorrectie worden toegepast voor het voorjaar en de zomer als het zicht wel volledig is verdwenen. Nu dit niet is gedaan wordt het geluidsniveau onderschat.
5.1.
Uit het meetplan volgt dat het verkregen geluidsniveau wordt verhoogd met 1 dB, hetgeen het effect van de vegetatiestrook is tussen de padelbanen en de woningen, conform paragraaf 5.3.5 van de handleiding. Volgens paragraaf 5.3.5. van de handleiding mag een geluidsreductie gehanteerd worden als zich in het gekromde geluidspad van de geluidsbron naar het immissiepunt dichte vegetatie bevindt, zodanig dat het zicht volledig is verdwenen. Uit de foto in figuur 2.1. van de notitie van Peutz van 14 januari 2025, welke is genomen op 14 oktober 2024 vanaf de Laan van Poot in de richting van de padelbanen, leidt de rechtbank af dat er op dat moment wel sprake was van vegetatie, maar niet van vegetatie die zodanig dicht was dat daardoor het zicht volledig was verdwenen. De padelbanen zijn immers door de vegetatie heen deels op de foto te zien. De foto die eisers op 14 oktober 2024 vanuit een woning aan de Laan van Poot hebben genomen kan niet tot een ander oordeel leiden. Vergelijking van de beide foto’s maakt duidelijk dat de positie van waaruit de foto van eisers is genomen een andere is dan die van waaruit de foto van Peutz is genomen, en het feit dat op de foto van eisers de padelbanen niet door de vegetatie heen te zien zijn doet er niet aan af dat dat op de foto van Peutz wel het geval is. Dat laatste is voldoende om aan te nemen dat het zicht niet volledig was verdwenen.
5.2.
Daar komt bij dat het college heeft toegelicht dat het eerder of later in het jaar uitvoeren van een geluidsmeting voor het eindresultaat geen verschil zal maken. Wanneer tijdens de meting wel sprake is van dichte vegetatie in het gekromde geluidspad waardoor het zicht volledig is verdwenen, zou er tot maximaal 1 dB minder geluid invallen. Daarvoor zou volgens de afspraak in het meetplan een vegetatiecorrectie op zijn plaats zijn, om zo rekening te houden met periodes in het jaar waarin geen sprake is van volledig dichte vegetatie. Nu echter is gemeten in een periode zonder volledig dichte vegetatie is deze correctie niet aan de orde; er valt immers niets te corrigeren. Een geluidmeting in een periode met dichte vegetatie rekening houdend met de genoemde vegetatiecorrectie zou niet leiden tot een andere toetswaarde.
5.3.
Gelet op het voorgaande heeft het college niet een vegetatiecorrecte van 1 dB op het gemeten geluidsniveau hoeven toepassen. De beroepsgrond slaagt niet.
Representatieve bedrijfssituatie
6. Eisers voeren aan dat op het moment van de meting geen sprake was van een representatieve bedrijfssituatie. Dat geldt ten eerste omdat tussen 22.00 uur en 23.00 uur niet beide padelbanen in gebruik waren en daarom niet de volledige capaciteit werd benut. Bij benutting van de volledige capaciteit is er wel sprake van een overschrijding van de grenswaarde. Ten tweede blijkt uit het onderzoek van Peutz niet dat het niveau van de aanwezige spelers gedurende de gehele avondperiode representatief was. Er is namelijk geen onderzoek verricht naar het niveau van de spelers, terwijl dit wel een relevant gegeven is.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de padelbanen tussen 22.00 uur en 23.00 uur niet volledig bezet waren niet betekent dat er geen sprake was van een representatieve bedrijfssituatie. Het college heeft namelijk voldoende aannemelijk gemaakt dat een volledig gebruik van beide padelbanen gedurende de gehele avondperiode zich niet meer voordoet, zoals ook niet het geval was tijdens de meting. Vergunninghoudster heeft toegezegd dat ook in de toekomst in de avondperiode op beide banen samen maximaal 7 uren wordt gespeeld, 3 uur op de ene baan en 4 uur op de andere baan, waarbij de baan die het dichtst bij de woningen ligt een uur onbespeeld blijft. Vergunninghoudster heeft hiervoor het reserveringssysteem aangepast, zodanig dat het niet mogelijk is in totaal meer dan zeven uur te boeken. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft vergunninghoudster een overzicht van de baanreserveringen overgelegd over de periode van 21 februari 2025 tot en met 11 mei 2025, waaruit blijkt dat de bezetting per avond maximaal 7 uur bedroeg. Het college heeft in het aanvullend verweerschrift vier rapporten van controles overgelegd. De toezichthouder heeft op 12 juni 2025, 24 juli 2025, 30 juli 2025 en 12 september 2025 controles uitgevoerd om na te gaan of vergunninghoudster handelde in lijn met de aangewezen wijze van gebruik van de padelbanen. De toezichthouder heeft op vier controlemomenten geconstateerd dat tussen 22.00 uur en 23.00 uur de padelbaan die het meest dichtbij de woning van eisers ligt, onbespeeld was. Hiermee is voldoende onderbouwing geleverd voor de stelling dat er sprake is van een representatieve bedrijfssituatie wanneer iedere avond één van de twee banen voor één uur niet wordt bespeeld.
6.2.
Met betrekking tot het niveau van de spelers kan de rechtbank het college volgen in het standpunt dat de mate van geoefendheid van spelers – al aannemend dat deze factor inderdaad invloed van enige betekenis heeft op het voortgebrachte geluidsniveau – in het kader van het bepalen van de representativiteit van de bedrijfssituatie een onbruikbaar criterium is. Het vaststellen van het niveau van spelers is daarvoor te subjectief en dus niet handhaafbaar. Daar komt bij dat de padelbanen in de regel niet uitsluitend worden bespeeld door gevorderde of geoefende spelers. Vergunninghoudster heeft toegelicht dat de padelclub als kleine club toegankelijk en veilig is voor startende spelers. De aanvragen voor lessen zijn dan ook grotendeels afkomstig van startende en gemiddelde spelers. Er is vrijwel geen animo voor lessen op gevorderd niveau. Eisers hebben dit niet gemotiveerd betwist. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat het niveau van de spelers op 14 oktober 2024 niet representatief is voor het niveau van de spelers dat doorgaans op de padelbanen speelt.
6.3.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat de meting is uitgevoerd bij een representatieve bedrijfssituatie. De beroepsgrond slaagt niet.
Achtergrondniveau
7. Eisers voeren aan dat het achtergrondniveau onjuist is vastgesteld. Het achtergrondniveau in de dagperiode is volgens Peutz 40 dB(A) en in de avondperiode tussen 19.00-22.00 uur 39,6 dB(A), terwijl Peutz voor het laatste uur van de avondperiode van een flink lager achtergrondniveau van 35 dB(A) uitgaat. Dit verloop is onlogisch en ongeloofwaardig. Eisers voeren verder aan dat het gemiddelde achtergrondgeluid, uitgaand van de cijfers die Peutz gebruikt, niet uitkomt op 39,6 dB maar op 38,8 dB. Als die correctie juist wordt toegepast levert dat een overschrijding van het toegestane langtijdgemiddelde beoordelingsniveau op van ten minste 2-3 dB(A), bij volledige bezetting van beide banen in de avondperiode.
7.1.
In de notitie van Peutz van 14 januari 2025 staan de meetresultaten weergegeven van het achtergrondgeluidniveau per half uur, tussen 18.00 en 22.00 uur. Daaruit komt naar voren dat het achtergrondgeluid tussen 18.00 en 18.30 38,7 dB(A) bedraagt, dan geleidelijk toeneemt tot 41,2 dB(A) tussen 19.00 en 19.30 uur, en vervolgens in de loop van de avond weer afneemt tot 37,4 dB(A) tussen 21.30 en 22.00 uur. Vervolgens wordt om 23.00 uur, dus 1 tot 1,5 uur na de laatste meting die daaraan voorafgaat, een achtergrondniveau gemeten van 35 dB(A). Dit heeft er mee te maken dat het geluid van het wegverkeer vermindert vanwege het aflopen van de avondspits, aldus de notitie. Dit komt de rechtbank niet onaannemelijk voor en eisers hebben ook geen gegevens aangedragen waaruit blijkt dat de gemeten waarden niet kloppen.
7.2.
Over het gemiddelde achtergrondgeluid waarvan is uitgegaan overweegt de rechtbank dat het college met een berekening in het verweerschrift heeft toegelicht dat, indien er wordt uitgegaan van het gemiddelde achtergrondniveau van 38,8 dB(A) voor de gehele avondperiode, het gecorrigeerde equivalente geluidniveau over de gehele avondperiode 41,1 dB(A) bedraagt. Dat is dezelfde waarde die voortvloeit uit de berekening van Peutz, waarbij is uitgegaan van een achtergrondgeluidniveau van 39,6 dB gedurende de eerste 3 uur meettijd en van 35,0 dB in het laatste uur. Deze berekening hebben eisers niet bestreden. Zelfs als het klopt dat van een achtergrondgeluidniveau van 38,8 dB(A) had moeten worden uitgegaan, leidt dat dus niet tot de conclusie dat sprake was van een grotere overschrijding dan waar Peutz van uit is gegaan.
7.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Nauwkeurigheidscorrectie
8. Eisers voeren aan dat het toepassen van een nauwkeurigheidscorrectie in dit geval onnodig is. Zeker van een bedrijf als Peutz mag goed geijkte apparatuur worden verwacht. Daarnaast heeft Peutz geen nauwkeurigheidscorrectie toegepast bij een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 47 dB(A).
8.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [4] kan bij handhaving een meettolerantie of nauwkeurigheidscorrectie van 1 dB(A) in aanmerking worden genomen, om zo met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen of zich een overtreding heeft voorgedaan. De rechtbank ziet niet in waarom het college in dit geval geen nauwkeurigheidscorrectie had mogen toepassen. Zoals het college heeft toegelicht in het verweerschrift heeft de nauwkeurigheidscorrectie niet primair te maken met de kwaliteit van de apparatuur, maar dient deze als correctie op bijzondere omstandigheden die zich tijdens het meten kunnen voordoen en waardoor kleine onnauwkeurigheden kunnen optreden.
8.2.
Dat er niet (zichtbaar) een nauwkeurigsheidscorrectie is toegepast bij een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 47 dB(A) komt doordat die waarde meer dan 2 dB boven de grenswaarde van 45 dB(A) ligt, zodat met zekerheid gezegd kan worden dat er sprake is van een overtreding. De meetfout bedraagt immers niet meer dan 1 dB. Dit maakt dan ook dat de marge van meetnauwkeurigheid niet wordt benoemd wanneer de overschrijding van de grenswaarde buiten de marge van 1 dB ligt. Dit was ook het geval bij de geluidsmeting van de ODH in Monster, waar eisers ter onderbouwing van hun standpunt naar hebben verwezen.
8.3.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is de afwijzing van het verzoek om handhavend op te treden in strijd met het gelijkheidsbeginsel?
9. Eisers doen een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Bij een padelclub in Monster heeft de ODH op 21 september 2022 een onderzoek naar geluidsoverlast gedaan bij woningen in de buurt, en daar is een last onder dwangsom opgelegd aan de padelclub. Het is volgens eisers onbegrijpelijk dat de ene gemeente wel handhavend optreedt en de andere niet.
9.1.
Van schending van het gelijkheidsbeginsel is reeds geen sprake, omdat het niet gaat om besluiten van één en hetzelfde bestuursorgaan. Ook kan niet worden gesproken van gelijke gevallen omdat in het geval van de padelclub in Monster een overschrijding van de grenswaarden is geconstateerd en in het onderhavige geval niet. Overigens heeft het college toegelicht dat de feitelijke situatie van de padelclub in Monster verschilt van de situatie van vergunninghoudster. Zo liggen de padelbanen in Monster midden in een woonwijk, terwijl de padelbanen van vergunninghoudster in een sportpark naast een woonwijk liggen, waar bovendien een vrij drukke weg met een groene strook tussen ligt. Ook gaat het in Monster om vier padelbanen, terwijl de padelclub van vergunninghoudster twee banen heeft.
9.2.
Het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
Is de toezegging van vergunninghoudster voldoende?
10. Eisers voeren aan dat het college het bestreden besluit ten onrechte heeft gebaseerd op de enkele toezegging van de vergunninghoudster dat een volledig gebruik van beide padelbanen in de gehele avondperiode zich in de toekomst niet meer zal voordoen. De exploitatievergunning stelt vergunninghoudster ertoe in staat beide banen te gebruiken. Het college kan daarom niet varen op een enkele toezegging, waar vergunninghoudster zich bovendien niet aan houdt.
10.1.
De rechtbank verwijst naar wat hiervoor is besproken onder 6.1. Het college kan alleen handhavend optreden als hetzij een overtreding – dus een overschrijding van de geluidgrenswaarden – is geconstateerd, hetzij het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt. Gezien wat hiervoor is overwogen heeft het college terecht geconstateerd dat geen overtreding kon worden vastgesteld, maar ook dat van klaarblijkelijke dreiging van een overtreding geen sprake is. Verder neemt het gegeven dat voor de padelclub een exploitatievergunning is verleend die gebruik van de beide banen – of meer – toestaat, al gesteld dat dat juist is, niet weg dat bij het gebruik van de banen de grenswaarden van het Activiteitenbesluit milieubeheer in acht moeten worden genomen.
10.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de afwijzing van hun handhavingsverzoek in stand blijft.
12. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat geen aanleiding. Eisers krijgen ook het betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr.F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.SGR 22/5598.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2900, onder 4.2.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 21 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1792 en van 18 juni 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD5076.