Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14024

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 april 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
25/2650
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Dienstenrichtlijn 2006/123/EGArt. 5 Wet goed verhuurderschapArt. 2 WgvArt. 7 WgvArt. 8 Wgv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt rechtmatigheid verhuurvergunning en weigert buiten toepassing stellen verordening

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de vergunningverlening voor verhuur van een woning in Leiden, waarbij zij stelde dat de vergunningplicht onrechtmatig is en in strijd met de Dienstenrichtlijn en de Wet goed verhuurderschap (Wgv). Verweerder had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, maar de rechtbank oordeelt dat eiseres wel procesbelang heeft en dat het bezwaar behandeld had moeten worden.

De rechtbank toetst vervolgens de rechtmatigheid van de verhuurverordening. Uit onderzoek blijkt dat de leefbaarheid in de wijk Binnenstad Noord ernstig onder druk staat door overlast, verkamering en slecht verhuurderschap. Verweerder heeft voldoende onderbouwd dat de vergunningplicht een noodzakelijk en geschikt middel is om de leefbaarheid te behouden, en dat lichtere maatregelen onvoldoende effectief zijn.

De rechtbank concludeert dat de vergunningplicht niet in strijd is met de Dienstenrichtlijn of artikel 5, lid 2, van de Wgv. De beperkte inbreuk op het eigendomsrecht is gerechtvaardigd. Het beroep wordt gegrond verklaard vanwege de onterechte niet-ontvankelijkheid, maar inhoudelijk wordt het bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Verweerder moet het betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens onterechte niet-ontvankelijkheid, maar inhoudelijk wordt het bezwaar ongegrond verklaard en de vergunning verleend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/2650

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en

Burgemeester en Wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Kaan).

Procesverloop

1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verhuurvergunning. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 13 augustus 2024 toegewezen en de vergunning verleend.
1.1.
Met het bestreden besluit van 3 april 2025 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres vergezeld door [naam] en de gemachtigde van verweerder. Het beroep is gelijktijdig met de beroepen met zaaknummers SGR 25/2646, SGR 25/2653 en SGR 25/2659 behandeld.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft een aanvraag voor een verhuurvergunning ingediend om de woning aan de [adres] te mogen verhuren. De woning is gelegen in de wijk Binnenstad Noord ( [wijk] ). Verweerder heeft positief beslist op de aanvraag en de gevraagde verhuurvergunning verleend. Aan de verhuurvergunning zijn een aantal voorwaarden verbonden:
  • er moet een concreet meerjarenonderhoudsplan (MJOP) zijn voor de komende vijf jaar, dat regelmatig aangepast wordt;
  • de huurprijs mag niet hoger zijn dan de maximaal toegestane huurprijs op grond van het puntenaantal van de woning.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de vergunningverlening. Haar bezwaar is door verweerder niet-ontvankelijk verklaard omdat eiseres met het verlenen van de gevraagde verhuurvergunning al eenzelfde rechtspositie heeft als met de bezwaarprocedure maximaal kan worden bereikt.
Wat vindt eiseres?
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder haar bezwaarschrift onterecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat zij wel proces-belang heeft. De vergunningplicht is namelijk in strijd met artikel 9, lid 1, van de Dienstenrichtlijn (2006/123/EG) en met artikel 5, lid 2, van de Wet goed verhuurderschap (Wgv). Daarom moet artikel 2, eerste lid, van de Verhuurverordening, voor zover deze een verhuurvergunning voor zelfstandige woonruimte verplicht stelt in de wijk Leiden Centrum-Noord, buiten toepassing gelaten worden. Ook vormt de vergunningplicht een onrechtvaardige inbreuk op het eigendomsrecht van eiseres.
3.1.
Wat betreft de Dienstenrichtlijn merkt eiseres op dat uit de Dienstenrichtlijn volgt dat er geen vergunningstelsel in het leven mag worden geroepen als met een minder vergaand middel kan worden volstaan. Door verweerder is volgens eiseres onvoldoende aangetoond dat er een oorzakelijk verband is tussen aantasting van de leefbaarheid in de buurt en particuliere verhuur van zelfstandige woonruimte. Daarbij komt dat verweerder voldoende andere middelen tot zijn beschikking heeft om excessen bij verhuur van woonruimte tegen te gaan. Ook vindt er volgens eiseres geen daadwerkelijke toetsing aan de voorwaarden van goed verhuurderschap plaats. Het was bij de aanvraag alleen nodig om een exemplaar van de meerjarenonderhoudsplanning (MJOP), een plattegrond van het appartement en een kopie van de huurovereenkomst aan te leveren. Er werd niet gevraagd om stukken waaruit blijkt dat aan de MJOP daadwerkelijk gevolg wordt gegeven, of bewijs waaruit blijkt dat er geen sprake is van discriminatie bij het selecteren van huurders. In de praktijk is er niet of nauwelijks sprake van controle voorafgaande aan de vergunningverlening. De nadruk ligt op controle achteraf, waarbij indien nodig bestuurlijke boetes opgelegd kunnen worden. Maar die controlebevoegdheid had verweerder al voor de invoer van het vergunningstelsel. Verweerder had ook voor een lichter middel kunnen kiezen en zonder vergunningplicht van burgers kunnen verlangen dat zij aannemelijk maken dat zij aan de eisen van goed verhuurderschap voldoen. Uit de stukken van verweerder blijkt dat het huurteam een aanzienlijk aantal overtredingen heeft geconstateerd. Daar kan ook op gehandhaafd worden. Eiseres wijst in dit kader ook nog op de mogelijkheid van een meldplicht.
3.2.
Eiseres voegt hieraan toe dat ook in artikel 5, lid 2, van de Wgv bepaald is dat de gemeenteraad in een verordening een verhuurvergunning verplicht kan stellen indien dat in het aangewezen gebied noodzakelijk en geschikt is voor het behoud van de leefbaarheid. Hiervoor geldt hetzelfde als aangegeven onder rechtsoverweging 3.1. De verhuurvergunning is in dit geval geen noodzakelijk en geschikt middel. Gelet op het bovenstaande vraagt eiseres de rechtbank exceptief te toetsen [1] .
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Wat zijn de regels?
4. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Is het bezwaar ontvankelijk?
5. Procesbelang is het belang dat een eiser heeft bij de uitkomst van een procedure. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [2] heeft een partij procesbelang bij een oordeel over zijn (hoger) beroep als komt vast te staan dat die partij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk. Daarbij gaat het erom of het doel dat de partij voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor die partij van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft partij die opkomt tegen een besluit, procesbelang bij een beoordeling van zijn bezwaar of beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is komen te vervallen.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres wel een belang bij de inhoudelijke behandeling van haar bezwaar. Weliswaar is de gevraagde vergunning toegewezen, maar volgens eiseres had zij helemaal geen vergunning hoeven aanvragen. Het standpunt dat de verhuurverordening in haar geval buiten toepassing moet worden gelaten kan in een bezwaarprocedure aan de orde komen. Daar komt bij dat eiseres stelt dat zij financiële schade heeft geleden door de vergunningplicht. Zij heeft namelijk een bedrag van € 938,50 aan leges moeten voldoen. Ook hierdoor heeft eiseres procesbelang bij de beoordeling van haar bezwaar. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres dan ook onterecht niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat verweerder het bezwaar in behandeling had moeten nemen en dat het beroep in zoverre gegrond is.
5.2.
Eiseres heeft in beroep inhoudelijke gronden aangevoerd tegen de vergunningsplicht. Verweerder heeft zich daarover in het verweerschrift inhoudelijk over uitgelaten. De rechtbank zal dan ook in het kader van de finale geschillenbeslechting
inhoudelijk op de zaak te beslissen.
Is de vergunningsplicht in strijd met de Dienstenrichtlijn?
6. Een exceptieve toetsing houdt in dat de rechter het algemeen verbindende voorschrift waarop het besluit is gebaseerd, in dit geval de verhuurverordening [3] , toetst. De rechter is hierbij wel beperkt. De verhuurverordening kan door de rechtbank worden getoetst op rechtmatigheid. In het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of het voorschrift niet in strijd is met hogere regelgeving. Ook komt de rechtbank de bevoegdheid toe om te beoordelen of het betreffende algemeen verbindend voorschrift een voldoende deugdelijke grondslag biedt voor het bestreden besluit. [4]
6.1.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de vergunningplicht in strijd is met artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Dienstenrichtlijn. Uit die bepalingen volgt dat de behoefte aan de vergunningplicht gerechtvaardigd moet zijn om een dwingende reden van algemeen belang en dat het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt, met name omdat een controle achteraf te laat zou komen om werkelijk doeltreffend te zijn.
6.2.
Tussen partijen is niet in geschil dat het verlenen van een verhuurvergunning een dienst is in de zin van de Dienstenrichtlijn en dat artikel 9 van Pro de Dienstenrichtlijn de uitoefening van dienstenactiviteiten reguleert. Dit betekent dat verweerder dient te onderbouwen dat de verordening waarmee het vergunningstelsel is ingevoerd een gerechtvaardigde beperking van het vrij verrichten van diensten inhoudt, niet discriminatoir en doelmatig is en het nagestreefde doel niet door een minder beperkende maatregel kan worden bereikt. [5]
Discriminatieverbod
7. Tussen partijen is niet in geschil dat het verbod niet in strijd is met het discriminatieverbod zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Dienstenrichtlijn. De rechtbank zal zich daarom niet buigen over de vraag of het verbod naar zijn aard of uitwerking in strijd is met het discriminatieverbod.
Noodzakelijkheid: dwingende reden van algemeen belang
8. De rechtbank stelt vast dat uit de toelichting bij de verhuurverordening blijkt dat verweerder meerdere onderzoeken heeft laten uitvoeren om de noodzaak van invoering van de vergunningplicht te bepalen. Allereerst is een data-onderzoek uitgevoerd naar de leefbaarheid in Leiden door In.Fact.Research. Aan de hand van die notitie heeft vervolgens een sessie plaatsgevonden waarin een nadere kwalitatieve verdiepingsslag is gemaakt. Daarbij is per wijk nagegaan of de leefbaarheid onder druk staat en wat het verband met verhuur is. Dit heeft per wijk tot een conclusie geleid die is opgenomen in een Kwalitatief Leefbaarheidsrapport. Uit dat rapport blijkt onder andere dat in [wijk] (Binnenstad Noord) de leefbaarheid slecht scoort. Er is sprake van overlast en onveiligheid in deze buurt. Ook de sociale samenhang is als slecht beoordeeld. Verder is het aandeel particuliere verhuur groot en er is sprake van verkamering. Ook blijkt uit de jaarrapportages van huurteam Leiden dat voor de wijk Binnenstad Noord in 93% van de woningopnames is gebleken dat er sprake was van misstanden als een te hoge huurprijs en achterstallig onderhoud. De conclusie van het rapport is dat het met het oog op het behoud van de leefbaarheid in de hele wijk noodzakelijk is om de instrumenten voor zowel omzetting en woningvorming als een verhuurvergunning voor goed verhuurderschap in te zetten.
8.1.
Gelet op de toelichting en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken is de rechtbank van oordeel dat verweerder toereikend heeft onderbouwd dat sprake is van een verslechterde leefbaarheid binnen de wijk Binnenstad Noord ( [wijk] ) en dat “slecht verhuurderschap” daaraan bijdraagt. Verweerder mocht hierin een dwingende reden van algemeen belang zien.
Vergunningsplicht geschikt?
9. Verweerder is vervolgens ook ingegaan op de vraag of er een lichter middel gebuikt kan worden. Uit de verhuurverordening en de memorie van toelichting [6] blijkt onder andere dat voor de invoer van de vergunningsplicht pilots in verschillende steden zijn geweest (aanpak goed verhuurderschap). Uit de pilots is naar voren gekomen dat op grond van de toen geldende wet- en regelgeving er onvoldoende instrumenten bestonden die het mogelijk maakten om op integrale wijze op het gedrag van verhuurders en verhuurbemiddelaars te sturen. De juridische instrumenten die er wel waren zien op specifieke zaken als de huur(prijs)bescherming en het strafrechtelijke verbod op discriminatie en intimidatie. In de meeste gevallen uit slecht verhuurderschap zich echter in een cumulatie van ongewenste praktijken, zoals een slechte staat van de woning, het gebruiken van een gebouw zonder de noodzakelijke vergunningen of voorzieningen, exorbitante huurprijzen en discriminatie en intimidatie van woningzoekenden en huurders. Een effectief instrument voor gemeenten om integraal te sturen op het gedrag van verhuurders en verhuurbemiddelaars ontbrak. Uit het verweerschrift volgt dat verweerder al verschillende maatregelen heeft genomen om misstanden tegen te gaan. Zo is er voor huurders huur(prijs)bescherming en kunnen gemeenten als verweerder achterstallig onderhoud aanpakken door te handhaven op de Omgevingswet. Deze maatregelen hebben echter niet kunnen voorkomen dat het gedrag van verhuurders negatieve gevolgen heeft voor de huurders en de leefbaarheid, zoals blijkt uit het onderzoek van In Fact Research. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende onderbouwd waarom een lichter middel niet effectief is.
9.1.
Het standpunt van eiseres dat de vergunningsplicht in dit geval niet geschikt zou zijn omdat er eigenlijk alleen een controle achteraf plaatsvindt volgt de rechtbank evenmin. Verweerder heeft op zitting uitgelegd hoe een vergunningaanvraag wordt beoordeeld. Als eerste wordt getoetst aan de weigeringsgronden uit artikel 7 van Pro Wgv. Als blijkt dat eerst een omgevingsvergunning, omzettingsvergunning of woningvormingsvergunning is vereist wordt de aanvraag geweigerd. Dit is een inhoudelijke toets waarbij verweerder moet beoordelen of de aanvraag in overeenstemming is met de bouwtechnische en huisvestelijke kaders. Verweerder kijkt ook naar de huurovereenkomst. Als daarin een passage staat die in strijd is met de wet legt verweerder een informatieplicht [7] op aan de betreffende verhuurder. Ook wordt er meteen melding gemaakt bij de afdeling Toezicht en Handhaving. De vergunningsplicht geeft verweerder een instrument om bij vergunninghouders direct te controleren op de aanwezigheid van een MJOP (en of dit wordt nageleefd), de hoogte van de huurprijs, het naleven van wettelijke regels en of is voldaan aan de hiervoor genoemde informatieplicht waardoor effectiever en sneller kan worden gehandeld bij overtredingen. In wat eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de maatregel niet doeltreffend is.
9. De verhuurverordening is dan ook niet in strijd met de Dienstenrichtlijn.
Is de vergunningsplicht in strijd met de Wgv?
10. Op grond van artikel 5, lid 2, van de Wgv mag verweerder alleen gebruik maken van de bevoegdheid om een verhuurvergunningsstelsel in te stellen als dat in het aangewezen gebied noodzakelijk en geschikt is voor het behoud van de leefbaarheid. De rechtbank verwijst naar hetgeen is aangegeven onder rechtsoverweging 6 tot en met 9. Hieruit volgt dat de vergunningsplicht een noodzakelijk en geschikt middel is. Naar het oordeel van de rechtbank is de verhuurverordening van de gemeente Leiden dan ook niet in strijd met artikel 5, lid 2, van de Wgv.
Is er sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht?
11. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in dit geval om een beperkte inmenging in het eigendomsrecht. Het is namelijk voor verhuurders en verhuurbemiddelaars ook zonder een vergunningsplicht verboden om bij het aanbieden en verhuren van woningen woningzoekenden of huurders te discrimineren, intimideren of onjuist of onvoldoende te informeren. De nieuwe vergunningplicht is voornamelijk in het leven geroepen in het belang van de handhaving van al bestaande wettelijke verplichtingen en vormt in die zin slechts een beperkte inmenging in het eigendomsrecht. De rechtbank weegt hierbij mee dat verweerder alleen de mogelijkheid heeft om deze maatregel te nemen zolang dat noodzakelijk en geschikt is voor het behoud van de leefbaarheid. De rechtbank is in deze uitspraak al ingegaan op de vraag of het vergunningstelstel geschikt en noodzakelijk is. Dat is het geval. Nu vast staat dat de vergunningplicht een geschikt en noodzakelijk middel is en eiseres verder niet heeft onderbouwd waarom sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde inbreuk acht de rechtbank de beperkte inbreuk op het eigendomsrecht gerechtvaardigd.

Conclusie en gevolgen

12. De conclusie is dat het beroep gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd, omdat eiseres daarin ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door zelf op het bezwaar te beslissen.
13. Doende hetgeen verweerder had behoren te doen, verklaart de rechtbank het bezwaar tegen de verleende vergunning ongegrond en stelt haar uitspraak in de plaats van het bestreden besluit.
14. Omdat het beroep gegrond is bestaat aanleiding voor een vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, voorzitter, mr. D.C. Laagland en
mr. J.G.E. Gieskes leden, in aanwezigheid van mr. M.H.T. van Bruggen, griffier.Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Wet goed verhuurderschap (wgv)

Artikel 2:

1. Een verhuurder of verhuurbemiddelaar van een woon- of verblijfsruimte handelt in overeenstemming met de regels van goed verhuurderschap.
2. Onder goed verhuurderschap wordt verstaan:
(…)
e. het schriftelijk verstrekken van informatie aan de huurder over:
1°.de rechten en plichten van de huurder ten aanzien van het gehuurde, voor zover deze rechten en plichten niet in de huurovereenkomst zijn opgenomen;
2°.indien een waarborgsom, als bedoeld in artikel 261b van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, in rekening wordt gebracht, de hoogte van de waarborgsom, de wijze waarop en de termijnen waarbinnen bij beëindiging van de huurovereenkomst de vordering van de huurder op de verhuurder ten aanzien van de waarborgsom wordt vastgesteld;
3°.de contactgegevens van een contactpunt waar de huurder terecht kan bij zaken die het gehuurde betreffen;
4°.de contactgegevens van het meldpunt, bedoeld in artikel 4, van de gemeente waarin het gehuurde is gelegen;
5°.indien servicekosten als bedoeld in artikel 237, derde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, in rekening worden gebracht, de betalingsverplichting van de huurder waarbij geldt dat jaarlijks een volledige kostenspecificatie aan de huurder dient te worden verstrekt; en
6°.de waardering van de kwaliteit van de woonruimte, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte op de datum van ingang van de huurovereenkomst en de krachtens dat lid bepaalde bijbehorende maximale huurprijs, en indien krachtens die wet ten aanzien van de woonruimte een prijsopslag geldt, tevens de bewijsstukken waaruit het gelden van deze opslag blijkt; en.
(…)

Artikel 5:

1. De gemeenteraad kan in een verhuurverordening bepalen dat het voor een verhuurder verboden is om:
a. een in de verordening aangewezen categorie van woonruimte die gelegen is in een in die verordening aangewezen gebied, zonder vergunning van burgemeester en wethouders te verhuren;
b. een in de verordening aangewezen categorie van verblijfsruimte zonder vergunning van burgemeester en wethouders te verhuren.
2. De gemeenteraad maakt van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, slechts gebruik indien dat in het aangewezen gebied noodzakelijk en geschikt is voor het behoud van de leefbaarheid.
3. Bij de voorbereiding van de vaststelling of wijziging van een verhuurverordening voeren burgemeester en wethouders overleg met burgemeester en wethouders van de overige gemeenten die deel uitmaken van de woningmarktregio, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Huisvestingswet 2014, waarin de gemeente is gelegen.

Artikel 7:

1. Een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, wordt geweigerd indien voor de realisatie van die woon- of verblijfsruimte een vereiste omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Omgevingswet, of indien de betrokken woon- of verblijfsruimte is gerealiseerd en op grond van artikel 4.3, eerste lid, onderdeel a, van de Omgevingswet bij algemene maatregel van bestuur is bepaald dat het feitelijk in gebruik nemen van het bouwwerk of de bouwwerken die onderdeel uitmaken van een bouwactiviteit verboden is zonder voorafgaande melding, of een vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014, vereist is en de verhuurder de vereiste vergunning of melding of een aanvraag voor die vergunning waarop het bevoegd gezag nog niet heeft beslist, niet heeft overgelegd bij de aanvraag.
2. Een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, kan uitsluitend worden geweigerd:
a. indien aan de verhuurder binnen een tijdvak van acht jaar voorafgaand aan de aanvraag een bestuurlijke boete of een last onder bestuursdwang is opgelegd voor het handelen door de verhuurder in strijd met:
1°. de regels van goed verhuurderschap, bedoeld in de artikelen 2 en 3 of artikel 2a of artikel 2b;
2°. een verbod op grond van:
i.artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b;
ii.artikel 8, tweede lid, en artikel 21, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014; of
iii.artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Omgevingswet;
3°.de op grond van artikel 4.1, eerste lid, van de Omgevingswet in een omgevingsplan gestelde regels over het gebruik of de staat van open erven of terreinen of het gebruik van gebouwen, of over het tegengaan van hinder, of de op grond van artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onderdeel a, en vierde lid, van de Omgevingswet gestelde verboden voor en regels of voorschriften over bouwactiviteiten en het gebruik en in stand houden van bouwwerken;
4°.de aan een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, verbonden voorwaarden, bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid;
5°.de aan een vergunning als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Huisvestingswet 2014 verbonden voorwaarden en voorschriften, bedoeld in artikel 24 van Pro de Huisvestingswet 2014;
b. indien ten aanzien van de verhuurder een besluit als bedoeld in artikel 12, eerste lid, is genomen en het beheer overeenkomstig artikel 16 nog Pro niet is beëindigd;
c.in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van Pro de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.
3.Voordat toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onderdeel c, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van Pro de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van Pro die wet worden gevraagd.
4.Indien de vergunning, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a of b, wordt geweigerd en deze vergunning betrekking heeft op een woon- of verblijfsruimte die op het moment van de weigering van de vergunning is verhuurd, kunnen burgemeester en wethouders een besluit nemen als bedoeld in artikel 12, eerste lid.”

Artikel 8:

1. Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, voorwaarden verbinden die uitsluitend betrekking hebben op:
a.de wijze waarop de verhuurder aantoont hoe hij invulling geeft aan de regels van goed verhuurderschap, bedoeld in de artikelen 2 en 3 of artikel 2a;
b. het opstellen en uitvoeren van een onderhoudsplan waarvan een afschrift binnen een door burgemeester en wethouders te bepalen termijn aan hen wordt toegezonden, dat ten minste bevat:
1°.de in de periode van de komende vijf jaar uit te voeren onderhouds- en herstelwerkzaamheden aan en vernieuwingen van het gebouw;
2°.een schatting van de aan de werkzaamheden en de vernieuwingen, bedoeld in onderdeel 1°, verbonden kosten en een gelijkmatige toerekening van die kosten aan de onderscheiden jaren; en
3°.een schatting van de benodigde jaarlijkse reservering voor andere dan de gewone jaarlijkse kosten na de periode waarop het onderhoudsplan betrekking heeft.
(…)
Verhuurverordening Leiden 2024

Artikel 2. Vergunningplicht verhuur woonruimte

1. Het is verboden zonder vergunning van het college een woonruimte te verhuren die gelegen is in de gebieden die op de kaart in bijlage I bij deze verordening zijn aangewezen.
2. Het verbod is niet van toepassing op het in gebruik geven van een woonruimte die niet beschikt over een eigen toegang, eigen sanitaire voorziening of een eigen keuken met kooktoestel en die onderdeel uitmaakt van een woonruimte die voor minimaal 60% door een ander als hoofdbewoner in gebruik is.

Artikel 3. Aanvraag verhuurvergunning

1. De aanvraag om een verhuurvergunning wordt ingediend door middel van een digitaal aanvraagformulier.
2. Bij de aanvraag worden tenminste de volgende gegevens verstrekt:
a de naam, het adres en de woonplaats van de verhuurder alsmede de geboortedatum van de verhuurder als het een natuurlijk persoon betreft of het nummer van de inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel van de verhuurder als het een rechtspersoon betreft;
b een aanduiding van de woonruimten waarop de aanvraag betrekking heeft, voorzien van een plattegrond en met vermelding van de adressen, de kadastrale aanduidingen en de huurprijs van de woonruimten;
c een afschrift van de te sluiten of afgesloten huurovereenkomst; en
d een opgave van de binnen een tijdvak van acht jaar voorafgaand aan de aanvraag opgelegde bestuurlijke boetes en lasten onder dwangsom wegens handelen in strijd met de verboden en bepalingen, genoemd in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet, en van de ten aanzien van de verhuurder genomen besluiten tot inbeheername als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van de wet voor zover het beheer nog niet is beëindigd.

Voetnoten

1.Eiseres verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:452.
2.zie de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2508.
3.Verhuurverordening Leiden 2024.
4.zie de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3424.
5.zie de uitspraken van de Afdeling van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:461 en van 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1225.
6.Kamerstukken II, 2021/2022, 36130, nr. 3.
7.Artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van de Wgv.