ECLI:NL:RBDHA:2026:1400

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
09/148100-21
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen witwassen en valsheid in geschrift met contante stortingen en valse factuur

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor medeplegen van witwassen en medeplegen van valsheid in geschrift. De feiten betreffen het verwerven, voorhanden hebben en omzetten van contante geldbedragen, waaronder stortingen van ruim €129.800 op diverse rekeningen, en het opmaken van een valse factuur van €20.000 ten behoeve van een banktransactie.

Het onderzoek vond plaats over meerdere zittingen tussen oktober 2021 en januari 2026. Bewijs bestond uit onder meer camerabeelden, banktransacties, WhatsApp-berichten op de telefoon van verdachte, en verklaringen van medeverdachten en getuigen. Uit de communicatie bleek een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten bij het witwassen en het vervaardigen van de valse factuur.

De verdediging voerde aan dat de gelden afkomstig waren van Hawala-bankieren, een informele en legale geldtransactiemethode, maar de rechtbank verwierp dit als hoogst onwaarschijnlijk vanwege het ontbreken van onderbouwing en het zwijgen van verdachte gedurende het proces.

De rechtbank achtte bewezen dat verdachte en medeverdachten de criminele herkomst van de gelden verborgen hielden en dat verdachte een centrale rol had bij het opmaken van de valse factuur. De straf werd vastgesteld op 270 dagen gevangenisstraf, waarvan 173 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van twee jaar.

De redelijke termijn was met ruim twee jaar en negen maanden overschreden, wat in het voordeel van verdachte werd meegewogen bij de strafoplegging.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 270 dagen gevangenisstraf, waarvan 173 dagen voorwaardelijk, voor medeplegen witwassen en valsheid in geschrift.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/148100-21
Datum uitspraak: 28 januari 2026
Tegenspraak
(Promisvonnis)
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland 1] ) op [geboortedatum 1] 1991,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 1 oktober 2021, 20 december 2021, 18 maart 2022 en 14 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van Dongen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. F.C. Knoef naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 18 maart 2022 – ten laste gelegd dat:
1
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 februari 2021 tot en met 30 juni 2021, te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) van een of meerdere voorwerp(en) en/of meerdere geldbedrag(en), te weten (onder meer):
- In de periode van 11 februari 2021 tot en met 22 april 2021 een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer €3.185.375,- contant gestort op de rekening t.n.v ‘ [bedrijfsnaam 1] ' met rekeningnummer [rekeningnummer 1] en/of
- In de periode van 16 februari 2021 tot en met 17 maart 2021 een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer €159.210,- contant gestort op de rekening t.n.v [medeverdachte 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 2] en/of
- In de periode van 1 februari 2021 tot en met 25 april 2021 een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer €1.376.905,- contant gestort op de rekeningen t.n.v. [naam 1] ( [rekeningnummer 3] ) en/of [bedrijfsnaam 2] BV ( [rekeningnummer 4] ) en/of [bedrijfsnaam 3] BV ( [rekeningnummer 5] ) en/of [bedrijfsnaam 4] BV ( [rekeningnummer 6] ) en/of [bedrijfsnaam 5] BV ( [rekeningnummer 7] ) en/of [bedrijfsnaam 6] ( [rekeningnummer 8] ) en/of
- Op of omstreeks 24 februari 2021 een geldbedrag van €15.000,- contant gestort op de rekening t.n.v. ‘ [bedrijfsnaam 7] ’ met rekeningnummer [rekeningnummer 9] en/of
- Op of omstreeks 5 mei 2021 een geldbedrag van €14.720,- contant gestort op de rekening t.n.v. ' [naam 2] ’ met rekeningnummer [rekeningnummer 10] en/of
- Op of omstreeks 25 april een geldbedrag van ongeveer €33.300,-, aangetroffen bij de aanhouding verdachte op 25 april 2021;
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing, heeft verborgen of verhuld, dan wel heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) verborgen of verhuld wie de rechthebbende(n) op voornoemde geldbedragen was/waren of het voorhanden had/hadden, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het/die geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,
en/of
Op of omstreeks 25 april 2021 een geldbedrag van ongeveer €33.300,- (aangetroffen bij de aanhouding verdachte op 25 april 2021);
heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een of meerdere voorwerp(en), te weten
(één of meer van) de navolgende geldbedragen, verworven en/of voorhanden gehad en/of
overgedragen en/of omgezet en/of althans gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn
mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het/die geldbedrag(en)
- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf (onder meer):
- In de periode van 11 februari 2021 tot en met 22 april 2021 een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer €3.185.375,- contant gestort op de rekening t.n.v ‘ [bedrijfsnaam 1] ’ met
rekeningnummer [rekeningnummer 1] en/of
- In de periode van 16 februari 2021 tot en met 17 maart 2021 een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer €159.210,- contant gestort op de rekening t.n.v [medeverdachte 1] met
rekeningnummer [rekeningnummer 2] en/of
- In de periode van 1 februari 2021 tot en met 25 april 2021 een of meer geldbedragen van in totaal ongeveer €1.376.905,- contant gestort op de rekeningen t.n.v. [naam 1]
( [rekeningnummer 3] ) en/of [bedrijfsnaam 2] BV ( [rekeningnummer 4] ) en/of [bedrijfsnaam 3] BV ( [rekeningnummer 5] ) en/of [bedrijfsnaam 4] BV ( [rekeningnummer 6] ) en/of [bedrijfsnaam 5] BV ( [rekeningnummer 7] ) en/of [bedrijfsnaam 6] ( [rekeningnummer 8] ) en/of
- Op of omstreeks 24 februari 2021 een geldbedrag van €15.000,- contant gestort op de rekening t.n.v. ‘ [bedrijfsnaam 7] ’ met rekeningnummer [rekeningnummer 9] en/of
- Op of omstreeks 5 mei 2021 een geldbedrag van €14.720,- contant gestort op de rekening t.n.v. ‘ [naam 2] ’ met rekeningnummer [rekeningnummer 10] en/of
- Op of omstreeks 25 april 2021 een geldbedrag van ongeveer €33.300,- (aangetroffen bij de
aanhouding verdachte op 25 april 2021);
2
hij op of omstreeks 25 maart 2021 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een geschrift, dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten
- een factuur van [bedrijfsnaam 8] Srl gericht aan [bedrijfsnaam 1] Trading (p.1567)
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, bestaande die valsheid hierin dat hij en zijn
mededaders op deze factuur valselijk en in strijd met de waarheid heeft/hebben vermeld dat
[bedrijfsnaam 8] Srl parfum(s) heeft verkocht aan [bedrijfsnaam 1] Trading voor 20.000 euro.
3. De bewijsbeslissing [1]
3.1.
Inleiding
Op 25 april 2021 zag een melder een auto met twee personen op de parkeerplaats en zag hij dat de inzittenden van een andere man een tas met geld kregen. De melder zag dat er veel biljetten van € 50 overgedragen werden. [2] De politie is naar aanleiding van die melding ter plaatse gegaan en heeft de auto gecontroleerd. Bij de controle van de auto zag de verbalisant dat er – vermoedelijk veel – biljetten onder de automat lagen en werd in een bigshopper een geldtelmachine aangetroffen. De twee personen in de auto werden aangehouden ter zake witwassen. [3] Bij een van de verdachten werden bankpassen aangetroffen die op naam stonden van (bedrijven van) [naam 1] , [bedrijfsnaam 9] ( [naam 3] ), [naam 4] ( [naam 2] ) en [naam 5] . Daarnaast werden er diverse papieren aangetroffen in de auto, waaronder uittreksels van de Kamer van Koophandel [4] en correspondentie gericht aan [naam 1] en diens ondernemingen. [5]
Vervolgens is er een onderzoek gestart naar onder andere de rekeninghouders van de bankpassen [6] , naar de financiële positie van de verdachten [7] en hun ondernemingen en naar de inhoud van de in beslag genomen telefoons. Bij het onderzoek is het vermoeden gerezen van een modus operandi met betrekking tot het witwassen van contante geldbedragen waarbij het basisconcept het omzetten van contant geld naar giraal geld betreft, door middel van een contante storting. Die storting wordt gevolgd door een bancaire overboeking van een Nederlandse bankrekening naar een buitenlandse bankrekening. In de omschrijving van de overboeking werd doorgaans een fictieve omschrijving genoteerd, bijvoorbeeld ‘factuurnummer’ gevolgd door een cijfer. Uit onderzoek van de WhatsApp berichten aangetroffen in de Iphone van [de verdachte] kwam een beeld naar voren dat de contante geldbedragen afkomstig waren uit het buitenland, waaronder Frankrijk en Engeland. [8]
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
3.4.
De beoordeling van de tenlastelegging
3.4.1.
De bewijsmiddelen
3.4.1.1 Feit 1: witwassen
Op 25 april 2021, omstreeks 16:00 uur werd melding gemaakt van verdachte omstandigheden op de kruising Leyweg met de Hengelolaan te Den Haag. Melder zag een auto met twee personen op de parkeerplaats staan. Melder zag dat de inzittenden van een andere man een tas met geld kregen. De inzittenden werden gecontroleerd. [medeverdachte 1] geboren [geboortedatum 2] 1985 te [geboorteplaats 2] ( [geboorteland 2] ) betrof de bestuurder en [de verdachte] geboren [geboortedatum 1] 1991 te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland 1] ) de bijrijder. Uiteindelijk werd in de auto een bedrag van € 33.300 aangetroffen. [9]
Bij de aanhouding van [de verdachte] op 25 april 2021 werd onder andere een mobiele telefoon van het merk Iphone aangetroffen en inbeslaggenomen. Bij onderzoek van de inhoud bleek er onder meer sprake van een groot aantal WhatsAppgesprekken tussen:
[whatsapp id 1] [medeverdachte 1] en [whatsapp id 2] [de verdachte] . [10]
Uit deze WhatsAppgesprekken blijkt onder meer het volgende:
[medeverdachte 1] stuurt de verdachte meerdere foto’s van uittreksels, drie bedrijven, alle op naam van [naam 1] (groothandel/autoservice/Bouw B.V.). [11] [de verdachte] vraagt [medeverdachte 1] of er vandaag ‘iets’ is. Een “ [naam 6] ” zou een gemaakte afspraak (geld overmaken) niet zijn nagekomen, waar [de verdachte] over baalt, waarna [de verdachte] oppert “ [naam 7] ” te bellen. Vervolgens worden afspraken gemaakt over bedragen, percentages op bedragen waar beiden aan verdienen, het opstellen van facturen ten behoeve van aangeleverde bedragen en het benaderen van mensen. [de verdachte] vertelt [medeverdachte 1] dat Dubai en Turkije “gereed” zijn. [12]
[de verdachte] geeft [medeverdachte 1] mee hoe er bedragen – namelijk € 20.000 en € 80.000 – gewisseld gaan worden, zij, samen, geld zullen krijgen van de “Irakees” en geld samen gaan wegbrengen. [13] [de verdachte] toont [medeverdachte 1] een foto, te zien is dat een persoon in een voertuig zit, het dashboard geopend, met daarin, wat lijkt op, een schoudertasje. [medeverdachte 1] stuurt [de verdachte] een adres in Parijs. [14] [de verdachte] vertelt [medeverdachte 1] dat er geen berechting plaatsvindt voor iets wat buiten een auto
wordt aangetroffen. [15] [de verdachte] en [medeverdachte 1] hebben contact over (een) over te maken/te regelen/te bemachtigen geldbedrag(en). [16] [medeverdachte 1] heeft dringend geld nodig en vraagt [de verdachte] “ [naam 8] ” in de gaten te houden, omdat [naam 8] geld zou overmaken. Zij, [medeverdachte 1] en [de verdachte] , kunnen problemen krijgen met “ [naam 9] ”. Voor 1 uur moet er “70 duizend” overgemaakt worden. [medeverdachte 1] vraagt [de verdachte] ook te kijken wat “ [naam 7] ” op zijn Nederlandse rekening heeft staan. [medeverdachte 1] gaat kijken of “ [naam 10] ” en “ [naam 11] ” iets hebben. [17]
Bij onderzoek van de inhoud van de telefoon van [de verdachte] bleek onder meer van een groot aantal Whatsapp gesprekken tussen [whatsapp id 2] [de verdachte] (owner) en [whatsapp id 3] [medeverdachte 1] . [18] Uit de gesprekken blijkt onder meer dat [de verdachte] met [medeverdachte 2] spreekt over een ‘maandelijks salaris’ van ‘25 duizend’, dat ‘vandaag’ de eerste keer is dat zij het gaan proberen, dat zij stukken bij zich hebben en dat zij bang zijn voor verraad, ‘grote bedragen broer’. [medeverdachte 2] zegt dan ‘is goed, maar je moet heel goed oppassen/uitkijken en je moet slim zijn’. Volgens [de verdachte] is ‘het belangrijkste broer, als er iets gebeurt, niets vertellen totdat er een advocaat is’. [19] [de verdachte] zegt tegen [medeverdachte 2] dat ze vijf bedrijven gaan beginnen voor mensen, hij regelt een boekhouder en ‘hij/jullie pakken geld van afstand’, ‘facturen en zo’. Vervolgens zegt [de verdachte] tegen [medeverdachte 2] : ‘Broer als ik na 6 maanden wordt aangehouden dan is het voor mijn eigen kont/op eigen risico’; ‘Dan hebben we 500 duizend’ [20] ; ‘Dit zijn grote maffia’s op wereld niveau’, ‘hopelijk gaat het voor jou en mij groot worden en dan zullen we voor ons hele leven rusten/gelukkig leven’ [21] ; ‘we hebben dagelijks 100.000 in Frankrijk’; ‘ik ga het halen en ik kom terug’; ‘Maar het is de eerste keer daarom heb je velen die gaan, want het is een nieuwe lijn/weg’; ‘we kennen ze niet en ze kennen ons ook niet’. [medeverdachte 2] vraagt vervolgens aan [de verdachte] of hij alleen is en hoe hij het zelf/alleen gaat brengen. [de verdachte] reageert: we krijgen wat voor elke 100.000 die we brengen/halen/verplaatsen’, ’30 duizend’. [22]
Verder is er bij het onderzoek aan de telefoon van [de verdachte] is een foto aangetroffen van een persoon met een rode jas die in de omgeving van een geldautomaat van Geldmaat stond. De foto was genomen op 16 februari 2021 te 18:55 uur bij het winkelcentrum Leyweg. De verbalisant zag dat deze persoon drie bundels met € 20 biljetten vasthield. [23] Omdat [de verdachte] en [medeverdachte 1] op 25 april 2021 waren aangehouden in de directe omgeving van deze geldmaat bij het winkelcentrum Leyweg te Den Haag werden de gegevens van de geldautomaat gevorderd. De verbalisant zag dat er op 16 februari 2021 vanaf 18:54 uur een contante storting plaatsvond van in totaal € 14.460,- welke transactie was voorzien van Retrieval Reference Number (RRN) 104718292618. De verbalisant zag dat er buiten het PAN ook een deel van de betrokken bankrekening zichtbaar was, te weten NL81RABO. [24]
Uit de analyse van de banktransacties van eenmanszaak [bedrijfsnaam 1] [rekeningnummer 1] zag de verbalisant dat er op 16 februari 2021 te 18:54 uur een contante storting had plaatsgevonden ter hoogte van € 14.460,- Deze contante storting vond plaats op de [adres 2] en was voorzien van transactie referentie 104718292618. Dit referentienummer 104718292618 komt exact overeen met het RRN 104718292618 zoals die door Geldmaat werd verstrekt. [25]
De verbalisant zag verder dat er op 16 februari 2021 vanaf 19:02 uur een contante storting plaatsvond van in totaal € 3.600,- welke transactie was voorzien van Retrieval Reference Number (RRN) 104719294852.
Hij zag dat er buiten het PAN ook een deel van de betrokken bankrekening zichtbaar was, te weten NL66RABO. [26]
Uit de analyse van de banktransacties van [medeverdachte 1] [rekeningnummer 2] zag de verbalisant dat er op 16 februari 2021 te 19:02 een contante storting had plaatsgevonden ter hoogte van € 3.600,-. Deze contante storting vond plaats op de [adres 2] en was voorzien van transactie referentie 104719294852. Dit referentienummer 104719294852 komt exact overeen met het RRN 104719294852 zoals die
door Geldmaat werd verstrekt. [27]
Bij analyse van transactiegegevens van rekeningnummer [rekeningnummer 11] gehouden door eenmanszaak [bedrijfsnaam 7] (eenmanszaak eigenaar [de verdachte] ) [28] , [rekeningnummer 6] gehouden door [bedrijfsnaam 4] B V. [29] en [rekeningnummer 8] [bedrijfsnaam 6] (eenmanszaak [naam 1] ) [30] zag de verbalisant dat de navolgende contante stortingen op 24 februari 2021 plaatsvonden op de locatie Goeverneurlaan: [31]
- [rekeningnummer 8] ( [bedrijfsnaam 6] ) 16:31 uur € 15.000,-
- [rekeningnummer 11] ( [bedrijfsnaam 7] ) 16:41 uur € 13.870,-
- [rekeningnummer 11] ( [bedrijfsnaam 7] ) 16:48 uur € 130,-
De verbalisant zag verder dat de navolgende contante stortingen op 24 februari 2021 plaatsvonden op de locatie Leyweg 535B: [32]
- [rekeningnummer 6] ( [bedrijfsnaam 4] B V.) 18:59 uur € 5.100,-
- [rekeningnummer 11] ( [bedrijfsnaam 7] ) 19:03 uur € 1.000,-
[naam 12] deed op 2 mei 2021 aangifte van identiteitsfraude. Hij verklaarde dat hij werd benaderd door [de verdachte] omdat hij zaken met [naam 7] wilde doen en dat hij zijn bedrijf groter wilde maken. [de verdachte] is toen samen met [medeverdachte 1] naar zijn woning gekomen. [medeverdachte 1] heeft toen foto’s van zijn bedrijfsgegevens gemaakt, zoals van het uittreksel van Kamer van Koophandel en kopie van zijn rijbewijs en identiteitsbewijs. [naam 7] heeft aan [medeverdachte 1] zijn gegevens van zijn zakelijke rekening gegeven, met het rekeningnummer [rekeningnummer 13] . [33] Naar aanleiding van de verklaring van de aangever en het analyseren van de historische gegevens bleek dat er vijfmaal contant geld was gestort op de rekening van aangever via een zogenaamde Geldmaat. Het betreft contante stortingen van onder meer de volgende geldautomaten en tijdstippen: [34]
  • 5 mei 2021, 21.10 uur 4000 euro gestort
  • 5 mei 2021, 21.13 uur 840 euro gestort
  • 5 mei 2021, 21.14 uur 5100 euro gestort
  • 5 mei 2021, 21.20 uur 4780 euro gestort
Bij het uitkijken van camerabeelden zag de verbalisant om 21:10 uur twee mannen richting de geldmaat lopen en voor de Geldmaat staan. Hij zag dat zij hier diverse handelingen verrichtten. Hij zag dat zij tot 21:15 uur voor de Geldmaat bleven staan. De verbalisant beschreef een van de mannen als volgt: [35]
- Man,
- licht getint uiterlijk,
- tussen de 25 en 35 jaar oud,
- donker haar,
- kalend bovenop hoofd
,- donkere gezichtsbeharing,
- volle lippen,
- zwarte, gewatteerde jas,
- grijze broek,
- zwart met witte sportschoenen.
De verbalisant herkende deze man als [de verdachte] , aan zijn haar, baardgroei en lippen. De verbalisant zag vervolgens dat beide personen om 21:15 uur uit beeld liepen. Om 21:20 uur liepen zij weer het beeld in en gingen zij weer voor de Geldmaat staan. Om 21:22 uur zag de verbalisant dat de man die de verbalisant herkende als [naam 7] een stapel geld in zijn handen had. Hij zag dat om 21:22 uur de persoon die de verbalisant herkende als Qasem ook geld in zijn handen had. Het leek erop dat beide personen het geld tellen. Vervolgens zag de verbalisant om 21:25 beide personen handelingen verrichten bij de Geldmaat. [36]
Bij onderzoek van de inhoud van de telefoon van [de verdachte] werden onder andere foto's aangetroffen van een man bij een geldautomaat van Geldmaat. De verbalisant zag dat deze man een bundel geld in zijn hand had. Hij zag dat deze foto's werden gemaakt op 10 april 2021 om 18:12 uur te Voorschoten. [37] Nader onderzoek van een digitaal specialist heeft uitgewezen dat deze foto’s werden gemaakt met de betreffende Iphone van de verdachte. [38] De verbalisant herkende [medeverdachte 1] op de foto bij de Geldmaat op de locatie Schoolstraat 218 te Voorschoten. Hij herkende [medeverdachte 1] aan zijn neus, mond, haargroei, baardgroei. Hij herkende [medeverdachte 1] met name aan de moedervlek op zijn rechterwang. [39] De verbalisant herkende, na onderzoek, de Geldmaat gevestigd op de locatie Schoolstraat 218 te Voorschoten als de locatie van de foto’s. Hij herkende de locatie aan de aanwezigheid en de positie van de beveiligingscamera's, grijze deur en de markante blauw/paarse tegels. [40] Uit de gevorderde historische gegevens van de Geldmaat is gebleken dat: [41]
  • er op 10 april 2021 vanaf 18:11 uur een contante storting plaatsvond van in totaal € 20.660,- welke transactie was voorzien van Retrieval Reference Number (RRN) 110018784305;
  • er op 10 april 2021 vanaf 18:21 uur een contante storting plaatsvond van in totaal € 7.960,-,- welke transactie was voorzien van Retrieval Reference Number (RRN) 110018787328.
Bij analyse van de banktransacties van eenmanszaak [bedrijfsnaam 1] [rekeningnummer 1] zag de verbalisant het volgende: [42]
  • dat er op 10 april 2021 te 18: 11 uur een contante storting van € 20.660,- had plaatsgevonden op de locatie Schoolstraat 218 te Voorschoten met pasnummer 013. Deze transactie was voorzien van referentie 110018784305. Dit referentienummer 110018784305 komt exact overeen met het RRN 110018784305 zoals die door Geldmaat werd verstrekt aangaande de contante storting van € 20.660,- die vermoedelijk door [medeverdachte 1] werd uitgevoerd.
  • dat er op 10 april 2021 te 18:21 uur een contante storting van € 7. 960,- had plaatsgevonden op de locatie Schoolstraat 218 te Voorschoten met pasnummer 013. Deze transactie was voorzien van referentie 110018787328. Dit referentienummer 110018787328 komt exact overeen met het RRN 110018787328 zoals die door Geldmaat werd verstrekt aangaande de contante storting van € 7.960,- die vermoedelijk door [medeverdachte 1] werd uitgevoerd.
De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft tijdens zijn verhoor op 24 september 2021 verklaard dat hij contante stortingen heeft gedaan op de rekening van [bedrijfsnaam 1] [43] , zijn privé rekening [44] en op de rekeningen van bedrijven op naam van [naam 1] [45] . Daarnaast verklaart hij samen met [naam 12] was tijdens de contante storting op 6 mei 2021 op zijn rekening. [46]
3.4.1.2. Feit 2: valsheid in geschrift
Bij onderzoek van de inhoud van de telefoon van [de verdachte] bleek uit de eerder aangehaalde WhatsAppgesprekken tussen de [de verdachte] en [medeverdachte 1] [47] dat [de verdachte] [medeverdachte 1] instructies geeft hoe invulling te geven aan een op te maken factuur en vraagt [medeverdachte 1] om [medeverdachte 2] - [de verdachte] zijn broer- om hulp te vragen, omdat diens Nederlands beter is. [48] [de verdachte] wijst [medeverdachte 1] erop dat hij een factuur niet heeft gemaakt en stuurt [medeverdachte 1] gegevens van “ [bedrijfsnaam 10] ”, “ [bedrijfsnaam 1] ” en een te vermelden bedrag. [de verdachte] oppert aan [medeverdachte 1] [medeverdachte 2] te laten helpen. [49]
Uit de analyse van het eerdergenoemde Whatsapp gesprek tussen de [medeverdachte 2] en [de verdachte] is gebleken dat [de verdachte] op 25 maart 2021 tegen [medeverdachte 2] zegt ‘ [medeverdachte 1] wil dat jij dit voor mij regelt/maakt. Hierop vraagt [medeverdachte 2] wat hij met ‘dit’ bedoelt. Vervolgens stuurt [de verdachte] [medeverdachte 2] een Italiaans rekeningnummer en een brief van de Regiobank [50] van 23 maart 2021 waarin onder meer staat dat er op 23 maart jl. vanaf de rekening van [bedrijfsnaam 1] een betaling van € 20.000 is verricht naar rekening [rekeningnummer 14] ten name van [bedrijfsnaam 8] Srl. onder vermelding van “ [bedrijfsnaam 11] ”. [51] De bank heeft een risicoafweging gemaakt en op basis daarvan de transactie vooralsnog niet uitgevoerd. De bank verzoekt om onderliggende documentatie behorende bij deze transactie, waarbij kan worden gedacht aan een factuur en/of overeenkomst tussen [bedrijfsnaam 1] en [bedrijfsnaam 8] Srl. [52]
Nadat [medeverdachte 2] nogmaals heeft gevraagd wat ‘dit’ is, zegt [de verdachte] ‘een factuur met 20.000 voor het bedrijf [bedrijfsnaam 1] . Ik heb het betaald van RegioBank’. Hierop zegt de [medeverdachte 2] ‘ok, vanavond heb je ze’. [53] [medeverdachte 2] stuurt op 25 maart 2025 ook daadwerkelijk een factuur aan [de verdachte] . [54] Vervolgens is door [medeverdachte 1] antwoord gegeven op het bericht van de bank van 23 maart 2021, waarbij de factuur wordt meegezonden. [55]
3.4.2.
De bijzondere overweging met betrekking tot het bewijs
3.4.2.1. Feit 1: witwassen
Juridisch kader witwassen
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij alleen of met anderen een geldbedrag van ruim 4,5 miljoen euro heeft witgewassen.
Van witwassen is onder meer sprake wanneer van een voorwerp de werkelijke aard, herkomst of rechthebbende wordt verborgen of verhuld, of als men een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt, omzet of gebruikt, terwijl men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – uit een misdrijf afkomstig is.
Er kunnen zich ook gevallen voordoen waarin witwassen is ten laste gelegd, maar geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is. Het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ kan dan toch bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde bedrag of voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Allereerst zal dan moeten worden vastgesteld of er zich feiten en omstandigheden voordoen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als dat zo is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat – het niet anders kan zijn dan dat – het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen. [56]
Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen
De verdachten werden op 25 april 2021 aangehouden. Bij die aanhouding werd de auto waar de verdachten in zaten doorzocht en bij die doorzoeking en de aanhouding is bij de verdachten onder meer een geldbedrag van € 33.300 euro, verschillende bankpassen op naam van (bedrijven van) personen - niet zijnde de verdachten - en correspondentie gericht aan [naam 1] gevonden. Uit verder onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de verdachte intensief Whatsapp-contact hadden en uit die gesprekken bleek dat zij spraken over het ophalen van contante gelden, het opstellen van facturen, percentages die de verdachten zouden verdienen, het opzetten van bedrijven, het openen van rekeningen en het storten en overmaken van grote geldbedragen. De verdachte zei verder tegen [medeverdachte 2] dat het gaat over ‘grote maffia’s op wereld niveau’ en stelde de verdachte dat hij vijfhonderdduizend euro zou verdienen in zes maanden. Tot slot zou de verdachte bang zijn voor verraad, [medeverdachte 2] wees hem erop dat hij voorzichtig moet doen en de verdachte zei dat als er iets gebeurt zij niets moeten zeggen tot er een advocaat is.
Bovenstaande feiten en omstandigheden zijn van dien aard dat zij het vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Daarom mag van de verdachte worden verwacht dat hij een concrete verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van de contante gelden.
Verklaring herkomst geld
De verdediging stelt dat de verklaring die medeverdachte [medeverdachte 1] geeft over de herkomst van de gelden onaannemelijk c.q. onvoldoende onderbouwd is. De verdediging meent daarentegen dat het aannemelijk is dat het geld zijn oorsprong vindt in Hawala-bankieren.
Hawala-bankieren is een informele vorm van het verrichten van geldtransacties die berust op het principe van verrekening, binnen een vaak grensoverschrijdende kring van vertrouwenspersonen, die allen hun eigen rol vervullen. Kort gezegd, komt het systeem erop neer, dat tegen verrekening van de geldende wisselkoers, zonder gebruik te maken van een betaalrekening, door een ‘bankier’ en met behulp van een of meer tussenpersonen een geldbedrag betaalbaar wordt gesteld, dat op een eerder moment elders is ingebracht. De hierdoor ontstane schuld bij de uitkerende bankier wordt voldaan door (latere) onderlinge verrekening tussen de bankiers. Het systeem minimaliseert de noodzaak van de fysieke verplaatsing van geld, maar uiteindelijk wordt bij de daadwerkelijke uitbetaling wel vaak gebruik gemaakt van geldkoeriers.
Voor de inwoners van bepaalde landen en emigranten uit die landen is, gelet op het ontbreken van een veilig en betaalbaar bancair systeem, Hawala-bankieren in feite de enige betrouwbare en voor eenieder toegankelijke manier om betalingen te doen of geld naar familieleden over te maken. [57]
De verdediging betoogt dat Hawala-bankieren, een vorm van ondergronds bankieren waarin niet zonder meer misdaadgeld rondgaat, een niet op voorhand onaannemelijke verklaring voor de herkomst van de gelden is. Het Openbaar Ministerie heeft in de bewijsvoering onvoldoende weerlegd dat het gaat om ondergronds bankieren met legaal verkregen gelden.
Beoordeling
De rechtbank schuift de verklaring die de verdediging over de herkomst van het geld op de terechtzitting voor het eerst heeft gegeven, als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde. De verdediging heeft haar stelling niet met stukken onderbouwd. Het is zeer onaannemelijk dat, indien er inderdaad sprake zou zijn geweest van Hawala-bankieren met legale gelden, de verdachte daar niet in een eerder stadium over zou hebben verklaard. In plaats daarvan beroept de verdachte zich gedurende het hele proces op zijn zwijgrecht. Doordat niet eerder dan ter terechtzitting met de bewuste verklaring is gekomen zonder dat daarbij enige nadere informatie is verstrekt over wie er in welke precieze rol bij het gestelde Halawa-bankieren betrokken zouden zijn geweest, is nader onderzoek daarnaar niet mogelijk geweest. Daar komt bij dat de rechtbank in het dossier bijkomende feiten en omstandigheden heeft gezien die duiden op een criminele herkomst van de gelden die verdachten onder zich hadden. Hiervoor verwijst de rechtbank naar wat zij heeft overwogen omtrent het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
Er is dus geen andere conclusie mogelijk dan dat het geld onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
De rechtbank ziet zich nu voor de vraag welke in de tenlastelegging omschreven handelingen daadwerkelijk aan de verdachte kunnen worden toegeschreven.
Medeplegen
De rechtbank kan niet tot een bewezenverklaring van alle in de tenlastelegging omschreven gedragingen komen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte een aantal contante stortingen zelf heeft verricht of daarbij aanwezig is geweest. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bekend bij stortingen op de rekeningen van [bedrijfsnaam 1] , zijn privé rekening, de rekeningen van [naam 1] en de rekening van [naam 2] betrokken te zijn geweest. Daar waar uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte aanwezig is geweest bij stortingen of dat de stortingen door de verdachte zelf zijn verricht, is de rechtbank van oordeel dat daarmee een nauwe en bewuste samenwerking is komen vast te staan. Daarbij maakt het niet uit wie de feitelijke handeling, te weten het storten van het contante geld via de Geldmaat, heeft uitgevoerd. Het gaat er om of er sprake is van min of meer inwisselbare rollen. Dat is hier het geval. Enkel wat betreft de storting door verdachte zelf op de rekening van zijn eigen bedrijf [bedrijfsnaam 7] kan medeplegen met [medeverdachte 1] niet worden bewezen. De rechtbank betrekt bij dit oordeel de context waarin de handelingen zijn verricht en de veelvuldige communicatie tussen de verdachte en zijn medeverdachten die ziet op het verplaatsen van grote geldbedragen.
Wat de overige contante stortingen betreft, is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] een nauwe en bewuste samenwerking bestond. Van enige daadwerkelijke betrokkenheid van de verdachte bij deze stortingen, op welke manier dan ook, is immers niet gebleken. Omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte betrokken was bij alle contante stortingen, zal de rechtbank hem daarvan partieel vrijspreken.
Op grond van het hiervoor overwogene en de onder 3.1 en 3.4.1.2. omschreven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] , meerdere malen contante geldbedragen heeft gestort op rekeningen van bedrijven en katvangers en daarnaast éénmaal alleen een bedrag heeft gestort, namelijk op de rekening zijn eigen bedrijf [bedrijfsnaam 7] , waarna dit geld vervolgens – direct of indirect – werd overgemaakt naar rekeningen in het buitenland.
Met de hiervoor beschreven feitelijke gedragingen hebben de verdachten de werkelijke aard en herkomst van de contante gelden en de rechthebbende op deze geldbedragen verhuld. Ook blijkt hieruit dat de verdachten de geldbedragen hebben verworven en voorhanden hebben gehad om de gelden vervolgens om te zetten (van contant naar giraal) en te gebruiken (over te maken). De rechtbank is van oordeel dat de verdachte en zijn mededaders wisten van die criminele herkomst en dat sprake is van opzet. Alle handelingen hadden namelijk onmiskenbaar het verbergen of verhullen van de criminele aard van de geldbedragen tot doel en die handelingen waren daarvoor ook geschikt.
Concluderend komt de rechtbank tot het oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een bedrag van € 129.800, waarbij sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte en waarvan hij wist dat het bedrag van misdrijf afkomstig is. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde, zoals onder 3.5 omschreven.
3.4.2.2 Feit 2: valsheid in geschrift
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte opdracht tot het maken van de factuur met de bijbehorende context aan medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verstrekt. Deze vals opgemaakte factuur is vervolgens door de verdachte aan [medeverdachte 1] gestuurd, die de factuur op zijn beurt aan de bank heeft verstrekt.
medeplegen
De verdachte heeft op 25 maart 2021 de opdracht gegeven aan zijn medeverdachte [medeverdachte 2] om ‘een factuur met 20.000 voor het bedrijf [bedrijfsnaam 1] ’ te maken en heeft hem daarbij ook van contextinformatie voorzien. [medeverdachte 2] heeft de factuur vervolgens daadwerkelijk opgemaakt en aan de verdachte toegestuurd. Uiteindelijk is deze factuur door [medeverdachte 1] ook daadwerkelijk ingediend bij de bank. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte een centrale rol heeft gespeeld bij de gezamenlijke vervalsing van de factuur
Er is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Op grond van het hiervoor overwogene en de onder 3.4.1.2 omschreven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een medeverdachte, een geschrift, te weten een factuur, valselijk heeft opgemaakt. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, zoals omschreven onder 3.5.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op meer tijdstippen in de periode van 1 februari 2021 tot en met 30 juni 2021, te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers hebben verdachte en zijn mededader van geldbedragen, te weten:
- In de periode van 11 februari 2021 tot en met 22 april 2021 meer geldbedragen contant gestort op de rekening t.n.v ‘ [bedrijfsnaam 1] ' met rekeningnummer [rekeningnummer 1] en
- In de periode van 16 februari 2021 tot en met 17 maart 2021 een geldbedrag contant gestort op de rekening t.n.v [medeverdachte 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 2] en
- In de periode van 1 februari 2021 tot en met 25 april 2021 een geldbedrag contant gestort op de rekeningen t.n.v. [bedrijfsnaam 4] BV ( [rekeningnummer 6] ) en [bedrijfsnaam 6] ( [rekeningnummer 8] ) en
- Op 24 februari 2021 een geldbedrag van €15.000,- contant gestort op de rekening t.n.v. ‘ [bedrijfsnaam 7] ’ met rekeningnummer [rekeningnummer 9] en
- Op 5 mei 2021 een geldbedrag van €14.720,- contant gestort op de rekening t.n.v. ' [naam 2] ’ met rekeningnummer [rekeningnummer 10] en
de werkelijke aard
ende herkomst heeft verhuld, dan wel hebben hij en zijn mededader verborgen of verhuld wie de rechthebbenden op voornoemde geldbedragen waren, terwijl verdachte, en zijn mededader wisten, dat die geldbedragen - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,
en
hebben verdachte en zijn mededader meerdere voorwerpen, te weten
(één of meer van) de navolgende geldbedragen, verworven en voorhanden gehad en/of omgezet en/of gebruik gemaakt terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat die geldbedragen - middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf:
- In de periode van 11 februari 2021 tot en met 22 april 2021 meer geldbedragen contant gestort op de rekening t.n.v ‘ [bedrijfsnaam 1] ’ met rekeningnummer [rekeningnummer 1] en
- In de periode van 16 februari 2021 tot en met 17 maart 2021 een geldbedrag contant gestort op de rekening t.n.v [medeverdachte 1] met rekeningnummer [rekeningnummer 2] en
- In de periode van 1 februari 2021 tot en met 25 april 2021 een geldbedrag contant gestort op de rekeningen t.n.v. [bedrijfsnaam 4] BV ( [rekeningnummer 6] )
en [bedrijfsnaam 6] ( [rekeningnummer 8] ) en
- Op 24 februari 2021 een geldbedrag van €15.000,- contant gestort op de rekening
t.n.v. ‘ [bedrijfsnaam 7] ’ met rekeningnummer [rekeningnummer 9] en
- Op 5 mei 2021 een geldbedrag van €14.720,- contant gestort op de rekening t.n.v.
‘ [naam 2] ’ met rekeningnummer [rekeningnummer 10] en
- Op 25 april 2021 een geldbedrag van ongeveer €33.300,-.
2
hij op 25 maart 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een geschrift, dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
- een factuur van [bedrijfsnaam 8] Srl gericht aan [bedrijfsnaam 1] Trading
valselijk heeft opgemaakt, bestaande die valsheid hierin dat hij en zijn mededader op deze factuur valselijk en in strijd met de waarheid hebben vermeld dat [bedrijfsnaam 8] Srl parfum(s) heeft verkocht aan [bedrijfsnaam 1] Trading voor 20.000 euro.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achtenveertig maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om aan de verdachte op te leggen een (lange) werkstraf al dan niet in combinatie met een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan het voorarrest.
De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat niet is gebleken dat de gelden afkomstig zijn van verdiensten in de zware georganiseerde criminaliteit en dat de verdachte zelf maar een beperkte vergoeding heeft gekregen. Daarnaast heeft de verdachte geen relevante justitiële documentatie en heeft de aanhouding voor de verdachte veel negatieve gevolgen gehad. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat de redelijke termijn voor afdoening van de onderhavige feiten fors is overschreden. Tot slot heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de oriëntatiepunten voor fraude enkel van toepassing zijn op witwassen als het in een frauduleuze context heeft plaatsgevonden en dat die oriëntatiepunten uitgaan van een benadelingsbedrag. Dit benadelingsbedrag geldt niet zonder meer ook voor witwaszaken, te meer in onderhavige zaak niet omdat de herkomst van de gelden niet vaststaat.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een relatief korte periode bezig gehouden met het witwassen van grote geldbedragen. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift door het opmaken van een valse factuur. Witwassen zorgt voor ontwrichting van het economische en financiële verkeer, doordat de criminele herkomst van de gelden wordt verhuld. De vermenging van illegale- en legale geldstromen brengt ernstige schade toe aan de economie. Verdachte heeft met zijn handelen in belangrijke mate bijgedragen aan deze vermenging van boven- en onderwereld, louter voor zijn eigen financiële gewin. Daarnaast heeft de verdachte, door het vervalsen van een factuur, meegewerkt aan het onttrekken aan het zicht van justitie en de fiscus van directe of indirecte opbrengsten van enig misdrijf afkomstig. Dat levert ook een aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer op. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 2 december 2025. De rechtbank constateert dat de verdachte niet eerder voor vergelijkbare feiten is veroordeeld en weegt dit noch in het voordeel, noch in het nadeel van de verdachte mee
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte d.d. 9 juni 2022, waaruit volgt dat sprake is van problematiek. Het recidiverisico kon destijds niet worden ingeschat, vanwege de proceshouding van de verdachte. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een deels voorwaardelijke straf met een meldplicht bij de reclassering als bijzondere voorwaarde.
Strafmodaliteit en strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld dat bij een benadelingsbedrag van € 125.000 - € 250.000 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden op zijn plaats is. De rechtbank volgt niet het standpunt van de verdediging, dat de oriëntatiepunten niet zonder meer ook voor witwaszaken gelden.
De rechtbank weegt echter wel in strafverlagende zin mee dat de verdachte enkel een faciliterende rol heeft gehad bij het witwassen van de contante gelden. De verdachte heeft samen met een medeverdachte grote contante geldbedragen gestort op rekeningen van bedrijven en katvangers en/of hun eigen bedrijf of rekening en dit geld vervolgens – direct of indirect – overgemaakt naar rekeningen in het buitenland. De verdachten hebben daar zelf telkens ‘slechts’ een percentage aan overgehouden.
De overschrijding van de redelijke termijn
De verdachte is voor het eerst aangehouden en in verzekering gesteld op 25 april 2021 en dit vonnis is gewezen op 28 januari 2026. De redelijke termijn is dus met twee jaar en negen maanden overschreden, terwijl aan deze overschrijding geen bijzondere omstandigheden ten grondslag liggen. De rechtbank brengt dit in het voordeel van de verdachte tot uitdrukking in de op te leggen straf.
Strafoplegging
De rechtbank zal alles overwegende aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, waarvan 173 dagen voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf passend. Enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen. Anderzijds is een voorwaardelijk strafdeel wenselijk om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
De rechtbank zal aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van twee jaren verbinden, met daarbij de algemene voorwaarde om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63, 225, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1: medeplegen van witwassen
en
ten aanzien van feit 2: medeplegen van valsheid in geschrift
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
270 (TWEEHONDERDZEVENTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 173 (honderddrieënzeventig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.J. Wijnnobel – van Erp, voorzitter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
mr. I.C. Kranenburg, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 januari 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2021116268, van de politie eenheid Den Haag, district Zuid, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 1613).
2.Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 1 juli 2021, p. 276.
3.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 25 april 2021, p. 414-415.
4.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 mei 2021, p. 62-68.
5.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 mei 2021, p. 69-74, 77-82.
6.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 21 juli 2021, p. 1033.
7.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 augustus 2021, p. 1083; Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 juli 2021, p. 1063.
8.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 oktober 2021, p. 1392.
9.Proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 1 juli 2021, p. 276.
10.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 juli 2021, p. 780.
11.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 juli 2021, p. 781.
12.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 juli 2021, p. 783.
13.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 juli 2021, p. 795.
14.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 juli 2021, p. 799.
15.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 juli 2021, p. 801
16.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 juli 2021, p. 806
17.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 juli 2021, p. 810
18.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juli 2021, p. 695.
19.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juli 2021, p. 696.
20.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juli 2021, p. 697.
21.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juli 2021, p. 698.
22.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juli 2021, p. 699.
23.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 juli 2021, p. 887.
24.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 juli 2021, p. 888.
25.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 juli 2021, p. 888.
26.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 juli 2021, p. 888.
27.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 juli 2021, p. 889.
28.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 juli 2021, p. 1049.
29.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 juli 2021, p. 1050.
30.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 juli 2021, p. 1052.
31.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 juli 2021, p. 1052.
32.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 juli 2021, p. 1053.
33.Het proces-verbaal van aangifte van [naam 12] , opgemaakt op 2 mei 2021, p. 189-190.
34.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 6 juni 2021, p. 254.
35.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 juni 2021, p. 256-257.
36.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 juni 2021, p. 257.
37.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 juli 2021, p. 690.
38.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 juli 2021, p. 903-908.
39.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 juli 2021, p. 692.
40.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 juli 2021, p. 692.
41.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 juli 2021, p. 693.
42.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 juli 2021, p. 694.
43.Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] , opgemaakt op 24 september 2021, p. 1353-1355.
44.Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] , opgemaakt op 24 september 2021, p. 1353.
45.Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] , opgemaakt op 24 september 2021, p. 1353-1354.
46.Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] , opgemaakt op 24 september 2021, p. 1354.
47.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 juli 2021, p. 780.
48.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 juli 2021, p. 796.
49.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 juli 2021, p. 807.
50.Het proces-verbaal van bevindingen van [naam 13] , opgemaakt op 9 juli 2021, p. 735.
51.Het proces-verbaal van bevindingen van [naam 13] , opgemaakt op 9 juli 2021, p. 636.
52.Het proces-verbaal van bevindingen van [naam 13] , opgemaakt op 9 juli 2021, p. 636.
53.Het proces-verbaal van bevindingen van [naam 13] , opgemaakt op 26 juli 2021, p. 1197.
54.Het proces-verbaal van bevindingen van [naam 13] , opgemaakt op 26 juli 2021, p. 1168, p. 1169 en p. 1216.
55.Het proces-verbaal van bevindingen van [naam 14] , opgemaakt op 9 december 2021, p. 1559, p. 1565 en p. 1567.
56.Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.