ECLI:NL:RBDHA:2026:1399

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
09/161915-21
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 33 SrArt. 33a SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor witwassen en medeplegen valsheid in geschrift met gevangenisstraf

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor het witwassen van een geldbedrag van €8.050 en medeplegen van valsheid in geschrift door het opmaken van een valse factuur van €20.000. Uit bewijsmateriaal, waaronder WhatsApp-gesprekken en telefoontaps, blijkt dat verdachte betrokken was bij een witwasconstructie en bewust deelnam aan het opmaken van een valse factuur.

De rechtbank oordeelde dat het vermoeden van witwassen gerechtvaardigd was en dat verdachte onvoldoende aannemelijke verklaring gaf voor de herkomst van het geld. De valsheid in geschrift werd bewezen geacht vanwege de nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte bij het opmaken van de factuur. De verdachte werd vrijgesproken van het voorhanden hebben van het overige bedrag van €2.000, dat toebehoorde aan zijn moeder.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 65 dagen op, met aftrek van de tijd in voorarrest, mede vanwege de ernst van de feiten en de schending van de redelijke termijn. Daarnaast werd het geldbedrag van €8.050 verbeurd verklaard en het overige bedrag van €2.000 teruggegeven aan de rechthebbende.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 65 dagen gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor witwassen en medeplegen valsheid in geschrift.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/161915-21
Datum uitspraak: 28 januari 2026
Tegenspraak
(Promisvonnis)
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ( [land] ),
verblijfadres: [adres 1] ( [postcode] ) te [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 18 maart 2022 en 14 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. van Dongen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. Heemskerk naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 30 juni 2021, te ’s-Gravenhage en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig
heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededaders van een geldbedrag van ca. 10.000 euro, in elk geval enig geldbedrag, de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding of de verplaatsing, verborgen of verhuld,
dan wel heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) verborgen of verhuld wie de
rechthebbende(n) op voornoemde geldbedragen was/waren of het voorhanden
heeft/had, terwijl hij, verdachte, wist dat het geldbedrag -onmiddellijk of middellijk-
afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en/of heeft/hebben hij, verdachte en/of zijn mededader(s) een geldbedrag van ca. 10.000 euro, in elk geval enig geldbedrag, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of althans gebruik gemaakt terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
2
hij op of omstreeks 25 maart 2021 te 's-Gravenhage en/of elders in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een geschrift,
dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
- een factuur van [bedrijfsnaam 1] Srl gericht aan [bedrijfsnaam 2] (p.1567)
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, bestaande die valsheid hierin dat hij
en zijn mededaders op deze factuur valselijk en in strijd met de waarheid
heeft/hebben vermeld dat [bedrijfsnaam 1] Srl parfum(s) heeft verkocht aan
[bedrijfsnaam 2] voor 20.000 euro.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
3.3.
De beoordeling van de tenlastelegging [1]
3.3.1.
De bewijsmiddelen
3.4.1.1. Feit 1: witwassen
Uit het politieonderzoek is naar voren gekomen dat de verdachte gebruik maakte van de telefoon met het nummer [telefoonnummer] . [2]
Bij de aanhouding van [medeverdachte] werd een mobiele telefoon in beslaggenomen. Bij onderzoek van de inhoud van deze telefoon bleek onder meer een groot aantal Whatsapp gesprekken tussen [account 1] [medeverdachte] (owner) en [account 2] [verdachte] . [3] Uit de gesprekken blijkt onder meer dat [medeverdachte] met de verdachte spreekt over een ‘maandelijks salaris’ van ‘25 duizend’, dat ‘vandaag’ de eerste keer is dat zij het gaan proberen, dat zij stukken bij zich hebben en dat zij bang zijn voor verraad, ‘grote bedragen broer’. [verdachte] zegt dan ‘is goed, maar je moet heel goed oppassen/uitkijken en je moet slim zijn’. Volgens [medeverdachte] is ‘het belangrijkste broer, als er iets gebeurt, niets vertellen totdat er een advocaat is’. [4] [medeverdachte] zegt tegen [verdachte] dat ze vijf bedrijven gaan beginnen voor mensen, hij regelt een boekhouder en ‘hij/jullie pakken geld van afstand’, ‘facturen en zo’. [medeverdachte] zegt vervolgens dat [verdachte] niet in de buurt moet komen van ‘dit’. [verdachte] reageert daarop: ‘alleen van afstand, van kantoor en papieren’. Vervolgens zegt [medeverdachte] tegen [verdachte] : ‘Broer als ik na 6 maanden wordt aangehouden dan is het voor mijn eigen kont/op eigen risico’; ‘Dan hebben we 500 duizend’ [5] ; ‘Dit zijn grote maffia’s op wereld niveau’, ‘hopelijk gaat het voor jou en mij groot worden en dan zullen we voor ons hele leven rusten/gelukkig leven’ [6] ; ‘we hebben dagelijks 100.000 in Frankrijk’; ‘ik ga het halen en ik kom terug’; ‘Maar het is de eerste keer daarom heb je velen die gaan, want het is een nieuwe lijn/weg’; ‘we kennen ze niet en ze kennen ons ook niet’. [verdachte] vraagt vervolgens aan [medeverdachte] of hij alleen is en hoe hij het zelf/alleen gaat brengen. [medeverdachte] reageert: we krijgen wat voor elke 100.000 die we brengen/halen/verplaatsen’, ’30 duizend’. [7]
Op 25 juni 2021 sprak de [verdachte] telefonisch met zijn moeder [8] , welk gesprek door middel van een telefoontap is opgenomen, uitgeluisterd en vertaald. [9] In dat gesprek is onder meer besproken dat [verdachte] nu is gaan werken omdat hij geen geld had. ‘Als straks de jongens zichzelf kunnen redden dan gaat hij stoppen’. Moeder zegt daarop: ‘laat ze hun zaken zelf regelen. Ik ben ook bang voor iets [verdachte] . Als je voor hen werkt dan komen straks hun facturen en die van [medeverdachte] naar huis’. [verdachte] zegt: ‘nee, nee, dit gaat niet gebeuren ma’. Hierop zegt de moeder iets wat deels onverstaanbaar is: ‘Ik ben bang dat het …. legaal’. Moeder wil dat [verdachte] op zijn benen gaat staan om zijn toekomst te garanderen, waarop [verdachte] zegt dat hij goed behandeld wordt door deze mensen ( [medeverdachte] en zijn kring) want hij heeft 50 verdiend. [10]
Op 30 juni 2021 werd de woning aan de [adres 2] betreden en werd [verdachte] aangehouden. Vervolgens is de woning doorzocht. [11] In de slaapkamer van de ouders van de [verdachte] € 10.050 contant geld aangetroffen en in beslag genomen. [12] Een van de verbalisanten die de slaapkamer doorzocht, zag onder in de kast een niet afgesloten doos. Hij zag diverse kledingstukken in de doos. Hij voelde of er iets tussen de kledingstukken zat en voelde dat in één van de kledingstukken iets gewikkeld zat. Hij zag dat dit een stapel bankbiljetten was. [13]
Op 5 juli 2021 zijn twee verbalisanten naar de woning aan de [adres 2] gegaan. De deur werd voor hen geopend door [naam 1] , de moeder [verdachte] . Zij verklaarde dat het geldbedrag dat is aangetroffen maar € 10.000 was, ‘2000,- euro daarvan was van mij, dat had ik gepind voor vakantie. De rest was van mijn zoon. Verder weet ik er niets van’, aldus [naam 1] . [14]
3.4.1.2. Feit 2: valsheid in geschrift
Bij onderzoek van de inhoud van de telefoon van [medeverdachte] bleek uit de eerder aangehaalde WhatsAppgesprekken tussen de [medeverdachte] en [naam 2] [15] dat [medeverdachte] [naam 2] instructies geeft hoe invulling te geven aan een op te maken factuur en vraagt [naam 2] om [verdachte] - [medeverdachte] zijn broer- om hulp te vragen, omdat diens Nederlands beter is. [16]
Uit de analyse van het eerdergenoemde Whatsapp gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte] is gebleken dat [medeverdachte] op 25 maart 2021 tegen [verdachte] zegt ‘ [naam 2] wil dat jij dit voor mij regelt/maakt’. Hierop vraagt [verdachte] wat hij met ‘dit’ bedoelt. Vervolgens stuurt [medeverdachte] [verdachte] een Italiaans rekeningnummer en een brief van de Regiobank [17] van 23 maart 2021 waarin onder meer staat dat er op 23 maart jl. vanaf de rekening van [bedrijfsnaam 2] een betaling van € 20.000 is verricht naar rekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijfsnaam 1] Srl. onder vermelding van ‘parfumes libya fashloum. [18] De bank heeft een risicoafweging gemaakt en op basis daarvan de transactie vooralsnog niet uitgevoerd. De bank verzoekt om onderliggende documentatie behorende bij deze transactie, waarbij kan worden gedacht aan een factuur en/of overeenkomst tussen [bedrijfsnaam 2] en [bedrijfsnaam 1] Srl. [19]
Nadat de verdachte nogmaals heeft gevraagd wat ‘dit’ is, zegt [medeverdachte] ‘een factuur met 20.000 voor het bedrijf [bedrijfsnaam 2] . Ik heb het betaald van RegioBank’. Hierop zegt [verdachte] ‘ok, vanavond heb je ze’. [20] [verdachte] stuurt op 25 maart 2025 ook daadwerkelijk een factuur aan [medeverdachte] . [21] Vervolgens heeft [naam 2] antwoord gegeven op het bericht van de bank van 23 maart 2021, waarbij de factuur wordt meegezonden. [22]
3.3.2.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
3.4.2.1. Feit 1: witwassen
Juridisch kader witwassen
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij alleen of met anderen een geldbedrag van circa € 10.000 heeft witgewassen.
Van witwassen is onder meer sprake wanneer van een voorwerp de werkelijke aard, herkomst of rechthebbende wordt verborgen of verhuld, of als men een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt, omzet of gebruikt, terwijl men weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit voorwerp – onmiddellijk of middellijk – uit een misdrijf afkomstig is.
Er kunnen zich ook gevallen voordoen waarin witwassen is ten laste gelegd, maar geen direct bewijs voor inkomsten uit brondelicten aanwezig is. Het in de tenlastelegging opgenomen onderdeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ kan dan toch bewezen worden geacht, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde bedrag of voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Allereerst zal dan moeten worden vastgesteld of er zich feiten en omstandigheden voordoen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als dat zo is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat – het niet anders kan zijn dan dat – het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen. [23]
Gerechtvaardigd vermoeden van witwassen
Uit de bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. De verdachte heeft geparticipeerd in gesprekken met medeverdachte [medeverdachte] waarin is gesproken over het verdienen van grote geldbedragen, maar dat wel goed moet worden opgepast en dat men slim moet zijn. De verdachte zou geld pakken op afstand, met het maken van facturen en er zou na zes maanden al vijfhonderdduizend euro zijn verdiend. Uit de gesprekken blijkt onder meer dat ze dagelijks honderdduizend hebben in Frankrijk en dat zij dertigduizend krijgen voor elke honderdduizend die ze brengen/halen/verplaatsen. Daarnaast blijkt ook uit een telefoongesprek met moeder dat de verdachte werkt voor [medeverdachte] en dat hij door die mensen goed behandeld wordt omdat hij vijftig heeft verdiend. Vervolgens wordt er een bedrag van € 10.050 in beslaggenomen bij de doorzoeking van de woning van de ouders van de verdachte, waar de verdachte op dat moment woonachtig was.
Bovenstaande feiten en omstandigheden zijn van dien aard dat zij het vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Daarom mag van de verdachte worden verwacht dat hij een concrete verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van de contante gelden.
Verklaring herkomst geld
De moeder van de verdachte heeft tijdens het onderzoek tegenover de politie verklaard dat van de € 10.000 euro die in beslag is genomen, € 2.000 euro van haar is. Zij verklaart daarover dat zij dat geld heeft gepind voor vakantie.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting heeft de verdachte over de overige € 8.050 verklaard dat hij dat heeft verdiend met zijn werk een dat hij het geld van zijn rekening heeft opgenomen met de bedoeling om daarmee zijn huwelijk te financieren. Hij heeft verklaard dat hij het geld niet in één keer, maar in delen heeft opgenomen. De verdachte zegt daarover dat het in zijn cultuur niet gebruikelijk is om te sparen op een rekening, maar dat dat liever contant wordt gedaan. Hij onderbouwt zijn stelling door middel van bankafschriften over de periode 2017 tot aan zijn aanhouding, die een dag voor de terechtzitting middels zijn advocaat aan de rechtbank zijn verstrekt.
Beoordeling
Ten aanzien van de verklaring over het bedrag van € 2.000, die van de moeder van de verdachte zou zijn, geldt dat sprake is van een verklaring over de herkomst van dat geld, die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. De moeder van de verdachte heeft deze verklaring bovendien bevestigd. Er kan dus niet worden uitgesloten dat dat geldbedrag van € 2.000 aan de moeder van de verdachte toekomt en/of een legale herkomst heeft. In zoverre kan witwassen van dit bedrag niet worden bewezen.
Ten aanzien van de overige € 8.050 overweegt de rechtbank als volgt. De verdachte is pas ter terechtzitting met deze verklaring gekomen zodat nader onderzoek daarnaar niet heeft kunnen plaatsvinden. Bovendien blijkt uit de verstrekte informatie dat de verdachte niet alleen geld opnam van zijn rekening, maar daar ook regelmatig geld op stortte. Dat strookt niet met zijn stelling dat hij vanuit zijn culturele achtergrond zijn geld liever niet op zijn bankrekening bewaarde. Al met al biedt de verklaring van de verdachte onvoldoende tegenwicht tegen de verdenking van witwassen. De rechtbank concludeert dan ook dat een bedrag van € 8.050 onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Het dossier biedt weliswaar aanknopingspunten om aan te nemen dat er een of meerdere anderen bij betrokken zijn geweest, maar de rechtbank kan niet vaststellen dat er een nauwe en bewuste samenwerking bestond tussen de verdachte en een (of meer) ander(en) bij het voorhanden hebben van het specifieke geldbedrag waar het hier om gaat. De rechtbank zal de verdachte van dat deel vrijspreken.
Op grond van het hiervoor overwogene en de onder 3.4.1.2. omschreven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de verdachte een bedrag van € 8.050 voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist dat het van misdrijf afkomstig is. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde, zoals onder 3.5 omschreven.
3.4.2.2. Feit 2: valsheid in geschrift
De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verdachte weliswaar in opdracht van [naam 2] een factuur heeft opgemaakt, maar dat het opzet van de verdachte er niet op was gericht om een factuur te vervalsen of als vervalst te gebruiken bij de bank. De rechtbank schuift dit standpunt van de verdediging terzijde, nu het volstrekt onaannemelijk is dat de verdachte – die nota bene als boekhouder werkt – niet zou hebben geweten dat het opmaken van een factuur ná de vermeende betaling, en uit hoofde van een andere dan een eigen onderneming, geen vervalsing oplevert.
medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte] bij het tenlastegelegde het volgende af.
Uit het dossier is gebleken dat [naam 2] aan medeverdachte [medeverdachte] al eens eerder heeft gevraagd om de verdachte om hulp te vragen bij het opmaken van een factuur, omdat zijn Nederlands beter is. [medeverdachte] heeft de verdachte vervolgens op 25 maart 2021 de opdracht gegeven om ‘een factuur met 20.000 voor het bedrijf [bedrijfsnaam 2] ’ te maken en heeft hem daarbij ook van contextinformatie voorzien. De verdachte heeft de factuur daadwerkelijk opgemaakt en aan [medeverdachte] toegestuurd. Uiteindelijk is deze factuur door [naam 2] ook daadwerkelijk ingediend bij de bank. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat de verdachte een uitvoerende rol heeft gespeeld bij de gezamenlijke vervalsing van de factuur.
Er is derhalve sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte(n) die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
Op grond van het hiervoor overwogene en de onder 3.4.1.2. omschreven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een medeverdachte, een geschrift, te weten een factuur, valselijk heeft opgemaakt. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde, zoals omschreven onder 3.5.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 30 juni 2021, te ’s-Gravenhage, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen,
immers heeft hij een geldbedrag voorhanden gehad terwijl hij wist dat het geldbedrag - onmiddellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
2
hij op 25 maart 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een geschrift, dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
- een factuur van [bedrijfsnaam 1] Srl gericht aan [bedrijfsnaam 2]
valselijk heeft opgemaakt, bestaande die valsheid hierin dat hij en zijn mededader op deze factuur valselijk en in strijd met de waarheid hebben vermeld dat [bedrijfsnaam 1] Srl parfum(s) heeft verkocht aan [bedrijfsnaam 2] voor 20.000 euro.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijfenzestig dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om in plaats van een gevangenisstraf van vijfenzestig dagen een taakstraf van honderddertig uren op te leggen. De verdachte is nooit eerder met politie of justitie in aanraking gekomen en heeft zijn leven opgepakt nadat zijn voorlopige hechtenis werd geschorst. Hij heeft onder meer zijn Nederlands verbeterd en verschillende diploma’s gehaald. De verdachte werkt als ZZP’er, maar hij zou graag in loondienst willen. Als aan hem een taakstraf zou worden opgelegd, kan dat een positieve invloed hebben op het verkrijgen van een verklaring omtrent gedrag (VOG).
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 8.050 en valsheid in geschrift door het opmaken van een valse factuur. Hierdoor heeft de verdachte meegewerkt aan het onttrekken aan het zicht van justitie en de fiscus van directe of indirecte opbrengsten van enig misdrijf afkomstig. Dat levert een aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer op. Daarnaast heeft de verdachte, door het opmaken van een valse factuur, misbruik gemaakt van zijn kennis en kunde voor persoonlijk voordeel. Door het maken van valse facturen worden witwasconstructies in stand gehouden. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 2 december 2025. De rechtbank constateert dat de verdachte niet eerder voor vergelijkbare feiten is veroordeeld en weegt dit noch in het voordeel, noch in het nadeel van de verdachte mee.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte d.d. 7 juni 2022, waaruit volgt dat geen sprake is van problematiek. Het recidiverisico kon destijds niet worden ingeschat, vanwege de proceshouding van de verdachte. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem op te leggen een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld dat voor witwassen en valsheid in geschrift met een benadelingsbedrag van totaal € 30.000 een gevangenisstraf van drie maanden of een onvoorwaardelijke taakstraf passend en geboden is..
De overschrijding van de redelijke termijn
De verdachte is voor het eerst aangehouden en in verzekering gesteld op 30 juni 2021 en dit vonnis is gewezen op 28 januari 2026. De redelijke termijn is dus met twee jaar en zeven maanden overschreden, terwijl aan deze overschrijding geen bijzondere omstandigheden ten grondslag liggen. De rechtbank brengt dit in het voordeel van de verdachte tot uitdrukking in de op te leggen straf.
Gelet op al hetgeen wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank zal alles afwegende aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van vijfenzestig dagen, met aftrek van het voorarrest.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 2 genoemde voorwerp op de beslaglijst, te weten een geldbedrag van € 10.050, tot een beloop van € 8.050 verbeurd wordt verklaard. Voor het overige verzoekt de officier van justitie om teruggave te gelasten aan de rechthebbende, [naam 1] .
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om het geldbedrag van € 10.050 terug te geven aan de rechthebbenden.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal het onder 2 genoemde voorwerp op de beslaglijst, te weten een geldbedrag van € 10.050, verbeurd verklaren tot een beloop van € 8.050, omdat met betrekking tot dit voorwerp het onder 1 bewezenverklaarde feit is begaan.
Ten aanzien van het overige van het onder 2 genoemde voorwerp op de beslaglijst, te weten € 2.000, zal de rechtbank de teruggave daarvan aan [naam 1] gelasten.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 33, 33a, 47, 57, 225, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1: witwassen
en
ten aanzien van feit 2: medeplegen van valsheid in geschrift
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
65 (VIJFENZESTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
verklaart verbeurd het op de beslaglijst onder 2 genoemde voorwerp, te weten een geldbedrag van € 10.050, tot een beloop van € 8.050;
gelast de teruggave aan [naam 1] van het overige de op de beslaglijst onder 2 genoemde voorwerp, te weten: € 2.000.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.J. Wijnnobel – van Erp, voorzitter,
mr. B.J. van de Griend, rechter,
mr. I.C. Kranenburg, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.E. Kramer, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 januari 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2021116268, van de politie eenheid Den Haag, district Zuid, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 1613).
2.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 1 juli 2021, p. 297.
3.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juli 2021, p. 695.
4.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juli 2021, p. 696.
5.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juli 2021, p. 697.
6.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juli 2021, p. 698.
7.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juli 2021, p. 699.
8.De bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 1 juli 2021, p. 99.
9.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 1 juli 2021, p. 297.
10.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 1 juli 2021, p. 297.
11.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 juni 2021, p. 346.
12.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 juni 2021, p. 347.
13.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 juni 2021, p. 357.
14.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 5 juli 2021, p. 528.
15.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 juli 2021, p. 780.
16.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 juli 2021, p. 796.
17.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juli 2021, p. 735.
18.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juli 2021, p. 636.
19.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 juli 2021, p. 636.
20.Het proces-verbaal van bevindingen van [naam 3], opgemaakt op 26 juli 2021, p. 1197.
21.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 26 juli 2021, p. 1168, p. 1169 en p. 1216.
22.Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 9 december 2021, p. 1559, p. 1565 en p. 1567.
23.Vgl. HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352.