ECLI:NL:RBDHA:2026:13756
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië op grond van Dublinverordening
Eiser diende op 12 januari 2026 een asielaanvraag in, die de minister op 9 april 2026 niet in behandeling nam omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser stelde beroep in en verzocht om aanhouding van de procedure in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht Kroatië als verantwoordelijke lidstaat heeft aangewezen, mede omdat Kroatië het verzoek tot terugname heeft geaccepteerd. Het door eiser overgelegde medische dossier is onvoldoende om aan te tonen dat overdracht aan Kroatië leidt tot een reëel en bewezen risico op aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid, zoals vereist op grond van het arrest C.K.
Verder is het betoog dat de minister het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door een brief van de Kroatische autoriteiten niet te vertalen of inhoudelijk te beoordelen ongegrond. De rechtbank stelt vast dat deze brief geen invloed heeft op de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de asielaanvraag.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om aanhouding af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J.M. Emaus en griffier I.S. Pruijn op 26 mei 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Kroatië verantwoordelijk is en geen reëel risico op ernstige gezondheidsschade is aangetoond.