ECLI:NL:RBDHA:2026:1351

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
NL25.49345 en NL25.49349
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • N. Meesters – van Luijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Vreemdelingencirculaire C7/16.3.2
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit voor Jezidi-asielzoekers met internationale bescherming in Griekenland

Eisers, van Iraakse nationaliteit en behorend tot de Jezidi-bevolkingsgroep, vroegen in Nederland asiel aan nadat zij internationale bescherming hadden ontvangen in Griekenland. De minister wees hun asielaanvragen af en legde terugkeerbesluiten op, stellende dat er geen gegronde vrees voor vervolging of ernstig risico op schade bestond.

De rechtbank oordeelt dat het enkele feit dat eisers Jezidi zijn en dat de broer van eiser tolk was voor de Amerikanen onvoldoende is om een reëel risico op vervolging aan te nemen. De minister heeft onvoldoende individuele omstandigheden aangetoond die een gegronde vrees rechtvaardigen. Daarnaast is het opleggen van terugkeerbesluiten onrechtmatig omdat eisers nog internationale bescherming genieten in Griekenland en het onduidelijk is of die status is ingetrokken.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de terugkeerbesluiten en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eisers. De overige afwijzingen van de asielaanvragen blijven in stand. De uitspraak benadrukt het belang van individuele beoordeling en de bescherming van internationale status binnen de EU.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het terugkeerbesluit en veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.49345 en NL25.49349

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer 1],
en
[eiseres],eiseres
V-nummer: [nummer 2],
samen te noemen eisers, mede namens eiser zijn minderjarige zoon,
[minderjarige],
V-nummer: [nummer 3]
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de bestreden besluiten waarin de asielaanvragen zijn afgewezen. Eisers hebben op 9 april 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 2 oktober 2025 deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond. Eisers zijn het hier niet mee eens en hebben hiertegen beroep ingesteld en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Deze voorzieningen zijn geregistreerd onder de zaaknummers NL25.49346 en NL25.49350 en hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.
2. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

3. De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten mede aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
4. De rechtbank verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten gedeeltelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Het asielrelaas

5. Eisers leggen aan hun asielaanvraag ten grondslag dat ze de Iraakse nationaliteit hebben en behoren tot de jezidi’s bevolkingsgroep. Eisers waren aanwezig bij de genocide in 2014 en moesten toen vluchten. In 2016 is eiser teruggekeerd naar zijn dorp en in 2021 is hij getrouwd met eiseres. Eiseres was op dat moment ook al teruggekeerd naar de regio Sinjar. In 2022 hebben eisers Irak verlaten. Zij hebben, nadat aan hen in Griekenland internationale bescherming is verleend, in april 2023 in Nederland asiel aangevraagd. Hieraan hebben zij ten grondslag gelegd dat het in Irak niet veilig is voor jezidi en het moeilijk is om daar een leven op te bouwen. Daarnaast stelt eiser dat zijn broer tolk is geweest voor de Amerikanen.
Het bestreden besluit
6. De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig zijn. Ook de problemen door het zijn van jezidi worden door de minister geloofwaardig geacht. Deze problemen zijn volgens de minister niet voldoende voor gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer voor eisers persoonlijk. Dat de broer van eiser tolk was voor de Amerikanen en de daaruit voortvloeiende problemen worden door de minister niet geloofwaardig geacht. Daarbij stelt de minister zich op het standpunt dat dit ook niet zou leiden tot vrees voor vervolging wanneer dit wel geloofwaardig zou zijn. Eisers hebben internationale bescherming ontvangen in Griekenland. De in Griekenland ontvangen documenten hebben zij bewust vernietigd in de hoop in Nederland in een gunstigere positie te komen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvragen worden afgewezen als kennelijk ongegrond.
De gronden van beroep
7. Eiser meent dat hij geloofwaardig en voldoende concreet heeft verklaard over het feit dat zijn broer tolk was voor de Amerikanen en heeft in beroep ter onderbouwing daarvan enkele stukken aangeleverd. Daarnaast is het volgens eisers zeer gevaarlijk voor jezidi in Irak, ook de overheid kan jezidi niet beschermen. Jezidi worden als onrein gezien en kunnen daardoor niet volledig deelnemen aan de maatschappij. Eisers vrezen bij terugkeer voor discriminatie en erbarmelijk omstandigheden in de vluchtelingenkampen. Omdat er bij de aanvraag van eisers sprake was van gunstiger beleid had de minister dit beleid moeten toepassen. Tot slot is ten onrechte een terugkeerbesluit opgelegd, eisers hebben immers nog internationale bescherming in Griekenland.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft de minister terecht geoordeeld dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade omdat zijn broer heeft getolkt voor de Amerikanen?
8. In beroep heeft eiser documenten ingebracht die gaan over tolkwerkzaamheden van zijn broer circa vijftien jaar geleden. Deze documenten zijn niet onderzocht, omdat ook wanneer dit asielmotief wel geloofwaardig zou zijn, dit volgens de minister niet zou leiden tot een vrees voor vervolging. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat indien wordt aangenomen dat de broer van eiser tolk is geweest voor de Amerikanen, dit niet betekent dat eiser hierdoor problemen heeft ondervonden. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat uit de verklaringen van eiser niet is gebleken dat hij persoonlijk, of zijn familie, is bedreigd omdat zijn broer heeft getolkt voor de Amerikanen. [1] Eiser verklaart dat hij heeft gehoord dat anderen in zo’n situatie werden bedreigd, maar hij en zijn familie hebben niks gehoord. [2] De rechtbank is van oordeel dat de minister dit onvoldoende heeft kunnen vinden om gegronde vrees voor vervolging dan wel een reëel risico op ernstige schade aan te nemen.
Heeft de minister kunnen oordelen dat eisers als jezidi geen gegronde vrees hebben voor vervolging dan wel een reëel risico lopen op ernstige schade?
9 In het huidige landgebonden beleid van Irak zijn jezidi’s niet aangemerkt als risicoprofiel. [3] Het is daarom aan eisers om individuele omstandigheden naar voren te brengen waaruit volgt dat zij bij terugkeer naar Irak te vrezen hebben voor vervolging of een reëel risico lopen op ernstige schade. Anders dan eisers betogen is de enkele omstandigheid dat zij door toepassing van het huidige beleid in een ongunstigere positie komen in combinatie met tijdsverloop niet voldoende om niet uit te gaan van het beleid zoals dat geldt op het moment dat het besluit door de minister wordt genomen. Daarbij betekende het ten tijde van de aanvraag geldende beleid ook niet per definitie dat aan eisers een vergunning zou zijn verleend. [4] Er moest nog steeds een beoordeling van het asielrelaas plaatsvinden.
9.1
Het is aan eisers om de gegronde vrees voor vervolging dan wel het reëele risico op ernstige schade aannemelijk te maken. Uit het Algemeen ambtsbericht en de bronnen waar eisers naar hebben verwezen blijkt dat er in Irak nog steeds sprake is van een onrustige situatie, maar niet kan worden geconcludeerd dat jezidi’s automatisch een reëel risico lopen op ernstige schade of vervolging. De Iraakse grondwet garandeert vrijheid van godsdienst voor elke Iraakse burger en noemt daarbij specifiek jezidi’s. [5] Het is voor eisers niet onmogelijk geweest om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Eisers hebben verklaard dat zij de mogelijkheid hadden om onderwijs [6] te volgen en toegang hadden tot medische zorg [7] . Daarnaast heeft eiser als schaapsherder kunnen werken. De rechtbank is van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers onvoldoende individuele omstandigheden hebben aangevoerd waaruit blijkt dat zij bij terugkeer naar Irak gegronde vrees hebben voor vervolging, dan wel een reëel risico lopen op ernstige schade. [8]
Kan de minister een terugkeerbesluit opleggen?
10. Eisers hebben internationale bescherming in Griekenland. De minister kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten. [9] Tijdens de zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de Griekse autoriteiten na het nemen van het besluit door de minister op de hoogte zijn gebracht van de uitkomst van de in Nederland gevolgde asielprocedure. Door de minister is niet geïnformeerd of de Griekse autoriteiten de verleende vluchtelingenstatus van eisers intrekken. Onduidelijk is daarom of de Griekse autoriteiten de door hen aan eiser verleende vluchtelingenstatus intrekken. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2025 [10] kon door de minister nog geen terugkeerbesluit worden genomen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond, omdat de minister een terugkeerbesluit heeft opgelegd terwijl nog onduidelijk is of de Griekse autoriteiten de door hen aan eisers verleende vluchtelingenstatus intrekken. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin aan eisers een terugkeerbesluit is opgelegd.
12. Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt (2 punten x € 934,-) € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers in deze samenhangende zaken een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de besluiten van 2 oktober 2025 voor zover daarin aan eisers een terugkeerbesluit is opgelegd en laat de bestreden besluiten voor het overige in stand;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Meesters – van Luijk, rechter, in aanwezigheid van
N. Walstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Nader gehoor, pagina 12.
2.Nader gehoor, pagina 14.
3.Vreemdelingencirculaire C7/16.3.2.
4.Zie o.a. de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen van 24 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22152, van 18 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24369 en van 19 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:772.
5.Algemeen Ambtsbericht Irak november 2023, pagina 54.
6.Aanmeldgehoren, pagina 5.
7.Nader gehoor eiser, pagina 18 en nader gehoor eiseres, pagina 12.
8.Zie ook de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 2 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22787.
9.Uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865.