Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12784

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
C/09/692775
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:175 BWArt. 3:185 BWArt. 4:932 BW (oud)Art. 4:933 BW (oud)Art. 10:3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling van geërfd Frans appartement tussen mede-erfgenamen

Twee zussen erven samen een appartement in Frankrijk van hun vader. Er ontstaan geschillen over gebruik en beheer, waarna zij de rechtbank verzoeken de verdeling vast te stellen. De rechtbank oordeelt dat de in het testament opgenomen aanbiedingsregeling alleen geldt bij vervreemding door een partij, niet bij rechterlijke verdeling.

De rechtbank bepaalt dat de eerste zus het appartement kan overnemen tegen de actuele marktwaarde, vastgesteld door een makelaar. Indien zij dit niet doet, wordt het appartement verkocht aan een derde en wordt de opbrengst verdeeld. De vorderingen over gebruik en beheer worden afgewezen omdat het appartement zal worden verdeeld.

De rechtbank verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst verdere vorderingen af. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De rechtbank stelt de verdeling vast waarbij de eerste erfgenaam het appartement kan overnemen tegen marktwaarde, anders volgt verkoop aan een derde.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/692775 / HA ZA 25-877
Vonnis van 22 april 2026
in de zaak van
[partij 1]te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat: mr. R. van Biezen,
tegen
[partij 2]te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat: mr. G.A. Nandoe Tewarie
Partijen worden hierna ‘ [partij 1] ’ en ‘ [partij 2] ’ genoemd.

1.Waar gaat deze zaak over?

1.1.
[partij 1] en [partij 2] hebben in 2000 samen een appartement in Frankrijk geërfd van hun vader. In de loop van de tijd zijn er geschillen ontstaan tussen hen over de wijze van gebruik en beheer, die zij niet onderling kunnen oplossen. Beide partijen hebben gevorderd dat de rechtbank de wijze van verdeling van het appartement vaststelt.
1.2.
[partij 1] meent dat zij op basis van een aanbiedingsregeling uit het testament in de gelegenheid moet worden gesteld om het aandeel in het appartement van [partij 2] over te nemen tegen de waarde waarover successierecht is betaald. De rechtbank is echter van oordeel dat deze aanbiedingsregeling niet van toepassing is op de vaststelling van de wijze van verdeling door de rechter, maar enkel op de situatie waarin één van de partijen het eigen aandeel wil vervreemden. [partij 1] zal daarom in de gelegenheid worden gesteld het appartement over te nemen tegen de actuele marktwaarde. Als [partij 1] van deze gelegenheid geen gebruik maakt, dan zal het appartement worden verkocht aan een derde en zal de opbrengst worden verdeeld.
1.3.
Verder is de rechtbank van oordeel dat [partij 1] , nu het appartement zal worden verdeeld, geen belang meer heeft bij haar vorderingen omtrent het gebruik en beheer. Deze vorderingen worden afgewezen.

2.De procedure

2.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 30 september 2025 met producties 1 en 2;
  • de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties 1 tot en met 18;
  • de conclusie van antwoord in reconventie, tevens houdende vermeerdering van eis, met producties 3 tot en met 6;
  • de brief van [partij 1] van 2 maart 2026 met producties 7 tot en met 9;
  • de ‘conclusie van antwoord in reconventie’ van [partij 2] waarbij tevens de eis in reconventie is vermeerderd, door de rechtbank ontvangen op 2 maart 2026, met producties 19 tot en met 28;
  • het bericht van [partij 2] van 3 maart 2026 met productie 29;
  • het bericht van [partij 1] van 6 maart 2026 met producties 10 tot en met 12;
  • de uitlating vermeerdering eis zijdens [partij 1] .
2.2.
Op 12 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.

3.De feiten

3.1.
[partij 1] en [partij 2] zijn dochters van [erflater] .
3.2.
[erflater] is overleden in het jaar 2000.
3.3.
[erflater] beschikte ten tijde van zijn overlijden over een appartement te [plaats] in Frankrijk, [adres] (hierna: ‘het appartement’).
3.4.
In het laatstelijk door [erflater] opgemaakte testament is – voor zover relevant – het volgende bepaald:
“(…)
II. Ik benoem tot mijn enige erfgenamen mijn beide dochters, gezamenlijk voor gelijke delen, met in achtneming evenwel van de regels van plaatsvervulling als volgens de wet.
(…)
V. Ik leg mijn dochters de last op om, indien bij mijn overlijden het appartementsrecht te [plaats] , Frankrijk, [adres] , nog deel uitmaakt van mijn nalatenschap en één hunner haar aandeel in dat appartementsrecht wenst te vervreemden, dat aandeel over te doen aan de mede-erfgename tegen een waarde, berekend naar die, welke tot grondslag heeft gediend voor de heffing van het recht van successie hier te lande, welke rechten en verplichtingen bij overlijden van een dochter overgaan op haar erfgenamen of rechtverkrijgenden.
(…)”
3.5.
In een brief van 6 december 2010 heeft de notaris die het testament heeft verleden, de volgende toelichting gegeven op deze bepaling:
“(…)
Het testament werd ruimschoots vóór het overlijden van Uw (schoon)vader gemaakt en op dat moment was het niet zeker of het onroerend goed in Frankrijk nog wel tot de nalatenschap zou blijken te behoren. Maar voor het geval dat wel het geval zou zijn, wilde Uw (schoon)vader een regeling tussen de beide dochters treffen.
Deze regeling heeft ten doel te voorkomen, dat een erfgename haar deel in het onroerende goed van de hand zou willen doen aan wie ook, anders dan aan de andere erfgename, tengevolge waarvan laatstbedoelde in de eigendom geconfronteerd zou worden met een ander dan haar zuster, zonder daarop ook maar enige invloed te hebben kunnen uitoefenen.
Een dergelijke bepaling is in testamenten en contracten niet ongebruikelijk. De bepaling geldt uiteraard en juist ook voor de situatie na de feitelijke afhandeling van de nalatenschap. Vandaar, dat de aanbiedingsplicht zal overgaan op erfgenamen en rechtverkrijgenden van de dochters. Immers, zou de bepaling beperkt moeten worden tot de relatief korte periode van afwikkeling van een nalatenschap, dan zou deze, gezien de ratio, weinig zin gehad hebben.
(…)”
3.6.
Zowel (de familie van) [partij 1] als (de familie van) [partij 2] hebben in de loop van de tijd gebruik gemaakt van het appartement. Het appartement werd ook verhuurd aan derden. Er zijn geschillen ontstaan tussen partijen over het gebruik en beheer van het appartement, waaronder over de vraag welke (onderhouds)werkzaamheden aan het appartement verricht dienen te worden.

4.Het geschil

In conventie
4.1.
[partij 1] vordert - na vermeerdering van eis - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[partij 2] veroordeelt om mede te werken aan de wijziging van de eigenaarsregistratie en tenaamstelling van het appartement bij de VvE (Syndique), bij het Franse kadaster, bij de gemeentelijke instanties in Frankrijk en bij de Franse bank, in dier voege dat [partij 2] en [partij 1] beiden als mede-eigenaar voor gelijke delen worden geregistreerd;
[partij 2] veroordeelt om haar medewerking te verlenen teneinde te bewerkstelligen dat, binnen drie maanden na vonnis, de zoon van [partij 1] als mede-rekeninghouder is geregistreerd bij de Franse bank, alsmede toestemming te geven dat hij toegang krijgt tot elektronisch bankieren en de beschikking krijgt over een eigen bankpas;
[partij 2] veroordeelt om akkoord te gaan en haar medewerking te verlenen aan de beheerregeling van het appartementsrecht, zoals door [partij 1] in de dagvaarding is geformuleerd;
[partij 2] veroordeelt tot het doen van rekening en verantwoording van 2019 tot en met 2024 bestaande uit jaaroverzichten van opbrengsten en uitgaven, inclusief onderliggende (bewijsstukken) en bankmutaties;
[partij 2] veroordeelt mede te werken aan het maken van de zoon van [partij 1] tot aanspreekpunt voor de VvE en hem te machtigen om de beide eigenaren te vertegenwoordigen bij VvE-vergaderingen;
aan [partij 2] een dwangsom oplegt van € 500,00 voor iedere week waarin zij niet aan het gevorderde onder 1 tot en met 5 voldoet, met een maximum van € 25.000,00;
[partij 2] veroordeelt om de helft van de kosten van het opknappen van het appartement te dragen, die zullen betreffen:
a. vervanging koelkast;
b. vervanging oven/magnetron;
c. vervanging kasten in de slaapkamer;
d. oplossen schimmel en houtrot;
e. snel internet;
f. internationale tv zenders;
g. vervangen rolschermen;
h. vervangen huidige vitrages door nieuwe vitrages
i. renoveren badkamer en losse wc;
j. schilderen wanden en plafond;
k. plaatsen van air conditioning;
8. [partij 2] veroordeelt om binnen 30 dagen na vonnis een voorschot te betalen van € 5.000,- ten behoeve van het onder 7 letters a tot en met h gevorderde;
9. [partij 2] veroordeelt om binnen 60 dagen na vonnis een voorschot te betalen van € 10.000,- ten behoeve van het onder 7 letters i tot en met k gevorderde;
10. de wijze van verdeling van het appartement vaststelt, waarbij [partij 2] wordt verplicht haar aandeel over te doen aan [partij 1] berekend naar die welke tot grondslag heeft gediend voor de heffing van het recht van successie;
11. [partij 2] veroordeelt medewerking te verlenen aan de levering van haar aandeel in het appartement aan [partij 1] onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor iedere dag waarop [partij 2] daarmee in gebreke blijft na verloop van twee weken nadat zij daartoe is gesommeerd door een Franse notaris;
12. voorwaardelijk, indien de rechtbank een wijze van verdeling bepaalt waarbij het appartement aan een derde wordt verkocht, dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard;
13. voorwaardelijk, indien de rechtbank een wijze van verdeling bepaalt waarbij het appartement aan een derde wordt verkocht, dat de rechtbank voor recht verklaart dat [partij 1] het recht heeft om het appartement over te nemen voor een waarde gelijk aan de hoogste bieding plus € 1,00, waarbij zij de helft van die waarde aan [partij 2] dient te voldoen en [partij 2] dient mee te werken aan de levering van haar aandeel aan [partij 1] ;
14. [partij 2] veroordeelt in de proceskosten.
4.2.
[partij 2] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [partij 1] in de kosten van het geding.
4.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover vereist, nader ingegaan.
In reconventie
4.4.
[partij 2] vordert, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
bepaalt dat de nalatenschap alsnog verdeeld wordt;
primair: de wijze van verdeling bepaalt inhoudende dat het appartement aan een derde wordt verkocht;
bepaalt dat er een onafhankelijke en gekwalificeerde taxateur benoemd wordt om het appartement bindend te taxeren tegen de waarde in het economisch verkeer met als peildatum januari 2026 althans de datum van feitelijke verdeling, waarbij de kosten van de taxatie ten laste van de verkoopopbrengst gebracht zullen worden;
bepaalt dat [partij 1] dient mee te werken aan alle (rechts-)handelingen die nodig zijn om het onroerend goed te taxeren en te verkopen:
[partij 1] veroordeelt om binnen 2 dagen nadat het vonnis gewezen is, medewerking te verlenen door het verlenen van toegang aan de makelaar voor de taxatie en verkoop van de woning, aan de ondertekening van de verkoopopdracht aan de makelaar en om in te stemmen met de vraagprijs die door deze makelaar bindend wordt geadviseerd;
[partij 1] veroordeelt om medewerking te verlenen aan het openstellen van het appartement voor bezichtigingen door gegadigden;
[partij 1] veroordeelt om mee te werken aan de totstandkoming van de koopovereenkomst op het moment dat er een kandidaat-koper is die een prijs wil betalen die tussen de laat- en vraagprijs ligt, zoals de makelaar die (bindend) adviseert;
[partij 1] veroordeelt tot het meewerken aan het passeren van de notariële akte om het appartement aan de koper te leveren;
[partij 1] veroordeelt om aan [partij 2] een dwangsom van € 250,00 te betalen voor iedere keer c.q. dag en/of dagdeel dat zij niet aan de vorderingen onder punten 1 tot en met 8 voldoet;
bepaalt dat het te wijzen vonnis in de plaats zal treden van de rechtshandelingen te verrichten door [partij 1] , te weten het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar, het ondertekenen van de verkoopovereenkomst en de notariële akte, indien [partij 1] binnen een week na betekening van het te wijzen vonnis in gebreke zou zijn gebleven haar medewerking te verlenen zoals onder punten 1 tot en met 8 vermeld, dan wel [partij 1] te machtigen tot het te gelde maken van de woning;
bepaalt dat de kosten van de makelaar (de courtage) bij verkoop en levering van de woning in mindering zullen worden gebracht op de verkoopprijs en dat daarna het restant tussen partijen gelijkelijk wordt verdeeld;
subsidiair: bepaalt, uitsluitend bij afwijzing van de wijze van verdeling door verkoop aan een derde, dat [partij 1] het appartementsrecht toebedeeld krijgt, zulks onder de uitdrukkelijke voorwaarde van uitkoop van [partij 2] middels betaling van de helft van de waarde van het appartementsrecht in het economisch verkeer, zoals door de taxateur bindend bepaald, waarbij zij binnen een periode van vier weken tot uitkoop en uitbetaling van [partij 2] moet overgaan, zulks op straffe van een dwangsom van €250,- per dag dat zij daarin nalatig is met een maximum van €5.000,- en tot verkoop aan een derde alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum verkoop tot datum voldoening van de uitkoopsom;
als een onafhankelijke beheerder voor het appartement benoemd wordt, bepaalt dat diens kosten 50/50 door partijen voldaan moeten worden;
bepaalt dat de last (art. 5) uit het testament wordt opgeheven althans vervallen wordt verklaard, waarbij ingeval van toedeling aan [partij 1] of bij verkoop aan een derde althans in beide gevallen toedeling / verkoop tegen de marktwaarde geschiedt, waarbij bij toedeling aan [partij 1] als aanvullende voorwaarde een financieringstermijn van twee maanden wordt bepaald;
althans elk ander vonnis in goede justitie te wijzen;
met veroordeling van [partij 1] in de kosten van dit geding.
4.5.
[partij 1] concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [partij 2] in de kosten van het geding.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover vereist, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank ziet aanleiding om de vorderingen tot verdeling van het appartement in conventie (de vorderingen genoemd in par. 4.1 onder 10 tot en met 13) en in reconventie (de vorderingen genoemd in par. 4.4) gezamenlijk en als eerste te bespreken.
De vorderingen tot verdeling van het appartement
Eenvoudige gemeenschap
5.2.
[partij 2] heeft gesteld dat het appartement deel uitmaakt van de onverdeelde nalatenschap van [erflater] en heeft in de eerste plaats gevorderd dat deze nalatenschap alsnog wordt verdeeld. Volgens [partij 1] is het niet juist dat de nalatenschap nog niet is verdeeld. De nalatenschap is wel verdeeld en er is wat betreft het appartement een eenvoudige gemeenschap tussen partijen ontstaan.
5.3.
De rechtbank overweegt dat partijen niet hebben toegelicht hoe de verdeling van de nalatenschap precies is gegaan na het overlijden van [erflater] . De rechtbank is van oordeel dat de nalatenschap in ieder geval inmiddels geruisloos is overgegaan in een eenvoudige gemeenschap. [1] Daarvoor is van belang dat de nalatenschap van [erflater] inmiddels 26 jaar geleden is opengevallen en niet is gesteld of gebleken dat er ook anderszins nog goederen uit deze nalatenschap onverdeeld zijn gebleven. [partij 2] heeft naar aanleiding van het verweer van [partij 1] ook niet gemotiveerd weersproken dat wat betreft het appartement inmiddels sprake is van eenvoudige gemeenschap. De rechtbank zal de verdelingsvordering daarom beoordelen aan de hand van regels die gelden voor de verdeling van een eenvoudige gemeenschap.
5.4.
[partij 1] heeft gevorderd dat de rechtbank de wijze van verdeling van het appartement vaststelt, waarbij [partij 2] wordt verplicht om haar aandeel over te doen aan [partij 1] tegen de waarde die tot grondslag heeft gediend bij de heffing van het successierecht. Daarnaast heeft [partij 1] voorwaardelijk - voor het geval de rechtbank de wijze van verdeling bepaalt waarbij het appartement aan een derde dient te worden verkocht – verzocht het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en gevorderd dat zij in de gelegenheid wordt gesteld om het appartement over te nemen tegen een bedrag gelijk aan de hoogste bieding plus € 1,-.
5.5.
[partij 2] heeft gevorderd dat de rechtbank de wijze van verdeling van het gemeenschappelijke appartement vaststelt, waarbij primair het appartement aan een derde wordt verkocht.
Toepasselijk recht
5.6.
Het appartement is gelegen in Frankrijk, zodat de vraag opkomt welk recht van toepassing is op de beoordeling van de vorderingen tot verdeling van de eenvoudige gemeenschap. De rechtbank is, net als partijen, van oordeel dat de vordering om de wijze van verdeling vast te stellen, beoordeeld dient te worden naar Nederlands recht. De rechtbank is van oordeel dat dit kan worden afgeleid uit artikel 10:3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Dit artikel bepaalt dat Nederlands recht altijd van toepassing is op Nederlandse rechterlijke procedures. Weliswaar heeft voornoemde vordering niet te maken met procesrechtelijke kwesties, maar heeft die wel betrekking op procesmatige handelingen. [2] De rechtbank zal daarom Nederlands recht toepassen.
Wettelijk kader
5.7.
Op grond van artikel 3:175 lid 1 BW Pro kan, tenzij uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten anders voortvloeit, ieder van hen over zijn aandeel in een gemeenschappelijk goed beschikken.
5.8.
Indien de deelgenoten over een verdeling niet tot overeenstemming kunnen komen, kan de rechter op grond van artikel 3:185 lid 1 BW Pro op vordering van de meest gerede partij de wijze van verdeling vaststellen, rekening houdende naar billijkheid zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.
Beoordeling
5.9.
[partij 1] heeft gesteld dat het appartement op grond van artikel V van het testament van [erflater] – zoals hiervoor in par. 3.4 geciteerd – (hierna: “de last”) aan haar moet worden toebedeeld tegen de waarde die tot grondslag heeft gediend bij de heffing van het successierecht. De reden daarvoor is, zoals [partij 1] ter zitting heeft bevestigd, dat [partij 2] het appartement wil vervreemden en daarom verplicht is haar aandeel tegen deze prijs aan [partij 1] aan te bieden. Dit volgt volgens [partij 1] uit de tekst van de last en er is volgens [partij 1] geen ruimte voor een uitleg van de last. [partij 2] heeft dit standpunt weersproken. Volgens [partij 2] moet de last worden uitgelegd en volgt daaruit dat deze last niet van toepassing is op de situatie waarin de rechter de eenvoudige gemeenschap verdeelt.
5.10.
De rechtbank is van oordeel dat de bepaling in het testament niet van toepassing is op de wijze van verdeling door de rechter, maar enkel op de situatie waarin één van de partijen het aandeel wil vervreemden, en overweegt daartoe als volgt.
5.11.
Omdat het testament is opengevallen in 2000 en sprake is van onder oud erfrecht verkregen rechten, is volgens artikel 69 Overgangswet Pro NBW het toenmalige (oude) erfrecht van toepassing en dus niet de artikel 4:46 BW Pro en artikel 4:47 BW Pro. De wijze van uitleg onder het oude erfrecht en het nieuwe erfrecht ontlopen elkaar evenwel niet veel. Onder het oude recht werd de uitleg van uiterste wilsbeschikkingen beheerst door artikel 4:932 BW Pro (oud) en artikel 4:933 BW Pro (oud). Die artikelen hielden in dat niet door uitleg mag worden afgeweken van de bewoordingen in het testament die ‘duidelijk’ zijn en dat slechts in geval van dubbelzinnige bewoordingen mag worden nagegaan wat de bedoeling van de erflater is geweest. De Hoge Raad heeft in dat kader evenwel geoordeeld dat voor de beantwoording van de vraag of de bewoordingen van een uiterste wilsbeschikking ‘duidelijk’ zijn, mede dient te worden gelet op de verhoudingen die de erflater bij de beschikking heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt. [3]
5.12.
Tegen deze achtergrond is de rechtbank van oordeel dat [partij 1] niet wordt gevolgd in haar beroep op de last. Volgens de letterlijke tekst van de last ziet deze immers op de situatie waarin ‘
één hunner haar aandeel in het appartementsrecht wenst te vervreemden’. Tekstueel heeft deze last daarmee betrekking op vervreemding van het aandeel door één van de deelgenoten zoals dat nu geregeld is in artikel 3:175 lid 1 BW Pro. Uit de tekst van de last volgt niet dat de last ook ziet op de verdeling van de eenvoudige gemeenschap door de rechter, zoals [partij 1] betoogt.
5.13.
Indien geoordeeld zou worden dat de tekst van de last niet duidelijk is, mede gelet op de verhoudingen die [erflater] heeft willen regelen in de last en gelet op de omstandigheden waaronder deze is gemaakt en dat dus na kan worden gegaan wat bedoeling van [erflater] is geweest met de last, leidt dit niet tot een ander oordeel. Uit de brief van de notaris zoals die door [partij 2] is overgelegd - en hiervoor in par. 3.5 is geciteerd – blijkt dat het doel van de bepaling is om te voorkomen dat één van de erfgenamen haar aandeel in het appartement aan een derde over kan dragen, waardoor de andere erfgenaam in de eigendom met een derde geconfronteerd zou kunnen worden zonder daar zelf invloed op uit te kunnen oefenen. Dit is in lijn met de eerder bedoelde tekstuele uitleg van de last, inhoudende dat deze slechts van toepassing is op de vervreemding van het aandeel door één van de deelgenoten zoals bedoeld in artikel 3:175 lid 1 BW Pro en niet van toepassing is op de vaststelling van de wijze van verdeling door de rechter als bedoeld in artikel 3:185 lid 1 BW Pro, aangezien deze laatste er niet toe leidt dat één van de erfgenamen ongewenst in de eigendom met een derde wordt geconfronteerd.
5.14.
Voor toebedeling van het appartement aan [partij 1] tegen de waarde die tot grondslag heeft gediend bij de heffing van het successierecht, bestaat aldus geen grond.
5.15.
Dit oordeel brengt ook mee dat de door [partij 2] gevorderde wijziging van de last wordt afgewezen, nu die vordering uitgaat van de – niet gevolgde – uitleg van de last zoals [partij 1] dat heeft bepleit.
5.16.
[partij 2] heeft gevorderd dat het appartement aan een derde zal worden verkocht. Echter, nu [partij 1] heeft aangegeven het appartement in de familie te willen behouden en eventueel bereid is het aandeel van [partij 2] over te nemen tegen de actuele marktwaarde, zal de rechtbank bepalen dat [partij 1] in de gelegenheid wordt gesteld het appartement over te nemen tegen de actuele marktwaarde. De waarde waartegen [partij 1] het appartement kan overnemen zal bindend worden bepaald door een makelaar, zoals [partij 2] heeft gevorderd. Tegen dat onderdeel heeft [partij 1] geen verweer gevoerd. Als [partij 1] het appartement niet overneemt, zal het worden verkocht aan een derde.
5.17.
[partij 1] wordt dus in de gelegenheid gesteld het appartement over te nemen. Gelet daarop en gelet op de verstoorde verhouding tussen partijen gaat het belang van [partij 2] om het vonnis ten uitvoer te kunnen leggen ongeacht of er een rechtsmiddel tegen wordt ingesteld door [partij 1] , boven het belang van [partij 1] bij schorsing van de tenuitvoerlegging indien zij een rechtsmiddel instelt. Het vonnis wordt daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5.18.
De rechtbank ziet evenmin aanleiding om te bepalen dat [partij 1] in de gelegenheid zal worden gesteld om het appartement over te nemen tegen een bedrag gelijk aan de hoogste bieding plus € 1,00. [partij 1] krijgt immers al als eerste de gelegenheid om het appartement over te nemen, terwijl een dergelijk recht bij een verkooptraject aan derden mogelijk nadelig kan zijn. Het is voor derden immers minder aantrekkelijk om een bod uit te brengen als ze weten dat een andere partij een dergelijk recht heeft.
5.19.
[partij 2] heeft gevorderd om verschillende dwangmiddelen op te leggen aan [partij 1] ten aanzien van de verdeling. [partij 1] heeft echter gesteld dat zij zal meewerken aan de door de rechtbank vastgestelde wijze van verdeling en dat het opleggen van dwangsommen daarom niet nodig zijn. Daar komt bij dat de dwangmiddelen die de strekking hebben in de plaats te treden van de rechtshandelingen die noodzakelijk zijn voor de levering van (het aandeel van) het appartement, neerkomen op een reële executie (artikel 3:300 BW Pro). Daarvoor is de rechtbank niet bevoegd op grond van artikel 24, lid 1, EEX-Verordening II nu in dat geval de goederenrechtelijke levering van het appartement aan de orde zal zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat [partij 1] inderdaad haar verplichtingen op grond van dit vonnis zal nakomen en zal geen dwangsommen in het vonnis opnemen.
In conventie
5.20.
[partij 1] heeft verder – samengevat – diverse vorderingen ingesteld omtrent het gebruik en beheer van het appartement (de vorderingen genoemd in par. 4.1 onder 1 tot en met 9).
5.21.
De rechtbank is van oordeel dat [partij 1] onvoldoende heeft onderbouwd waarin haar belang bij deze vorderingen nog is gelegen, gegeven het feit dat het appartement zal worden verdeeld. [partij 1] heeft aangevoerd dat partijen de nodige praktische uitdagingen zullen ervaren bij de verdeling, aangezien het een appartement in Frankrijk betreft, waardoor het ook voor de tussentijd wenselijk kan zijn om voorzieningen te treffen. De rechtbank overweegt echter dat partijen al gedurende 26 jaar gemeenschappelijk eigenaar zijn van het appartement en dat daarom - zonder specifieke onderbouwing - niet valt in te zien waarom er met het oog op het proces van verdeling in de tussentijd voorzieningen omtrent gebruik en beheer moeten worden getroffen. Daarbij komt dat het voor partijen mogelijk is om de verdeling plaats te laten vinden ten overstaan van een Nederlandse notaris gespecialiseerd in (de verdeling van) onroerend goed in Frankrijk, waardoor de door [partij 1] verwachte praktische uitdagingen grotendeels kunnen worden ondervangen.
5.22.
De vordering van [partij 1] tot het afleggen van rekening en verantwoording door [partij 2] wordt eveneens afgewezen. Deze vordering heeft betrekking op de bankrekening die op naam staat van [partij 2] en die wordt aangehouden bij een Franse bank. Van deze bankrekening worden – zo begrijpt de rechtbank – kosten afgeschreven die worden gemaakt ten behoeve van het appartement. [partij 1] heeft onweersproken gesteld dat ze – onverplicht – altijd al de bankafschriften van die bankrekening ter beschikking heeft gesteld aan de zoon van [partij 2] , die namens haar in deze handelt. [partij 1] heeft niet toegelicht welk belang ze nog heeft bij haar vordering.
5.23.
De vorderingen van [partij 1] worden dus afgewezen. Dit oordeel brengt ook met zich dat de vordering van [partij 2] in reconventie - om te bepalen dat de kosten van eventuele beheerder gelijkelijk moeten worden gedeeld - wordt afgewezen.
Proceskosten
5.24.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank:
In conventie en in reconventie
6.1.
stelt de wijze van verdeling van het appartement als volgt vast:
Primair: overname van het appartement door [partij 1]
6.1.1.
stuurt binnen twee weken na datum van dit vonnis – dus uiterlijk op 6 mei 2026 – een bericht aan [partij 2] , waarin zij drie verschillende makelaars voorstelt die de woning kunnen taxeren tegen de actuele marktwaarde. Uit deze drie makelaars kiest [partij 2] er één. Zij bericht [partij 1] binnen één week na het voorstel van [partij 1] over haar keuze. Als één van de partijen niet tijdig een voorstel of een keuze doet, heeft de andere partij het recht om de makelaar eenzijdig aan te wijzen. Partijen zullen vervolgens gezamenlijk een opdracht verlenen aan de gekozen of aangewezen makelaar om het appartement te taxeren. De makelaar stelt de actuele marktwaarde voor partijen bindend vast. Beide partijen moeten in de gelegenheid worden gesteld (een vertegenwoordiger) bij de taxatie aanwezig te (laten) zijn. Partijen moeten ieder de helft van de kosten van de taxatie betalen;
6.1.2.
het appartement wordt toegedeeld aan [partij 1] , onder de opschortende voorwaarde dat zij binnen één maand na de datum van het taxatierapport (i) bij [partij 2] aangeeft dat zij het appartement over wil nemen en (ii) aantoont dat zij het appartement kan financieren;
6.1.3.
indien aan de hiervoor onder 6.1.2 genoemde voorwaarden (i) en (ii)
welwordt voldaan, zal [partij 2] haar aandeel in het appartement zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen één maand na het moment waarop [partij 2] aantoont dat zij de benodigde financiering kan verkrijgen, leveren aan [partij 1] . [partij 2] verkrijgt hierdoor een vordering uit hoofde van overbedeling op [partij 1] . Deze vordering is gelijk aan de helft van de taxatiewaarde minus de helft van een eventuele hypothecaire geldlening. [partij 1] moet dit bedrag ten tijde van de levering bij de notaris aan [partij 2] betalen. [partij 1] moet in dit geval de kosten betalen van de levering bij de notaris van (het aandeel van [partij 2] in) het appartement aan [partij 1] ;
Subsidiair: verkoop van het appartement aan een derde
6.1.4.
indien aan de hiervoor onder 6.1.2 genoemde voorwaarden (i) en (ii)
nietwordt voldaan, zal het appartement worden verkocht en geleverd aan een derde. Om dat te realiseren zullen partijen gezamenlijk binnen twee weken na het verstrijken van de termijn van één maand zoals genoemd onder 6.1.2, een verkoopopdracht verstrekken aan de makelaar bedoeld onder 6.1.1. Deze opdracht zal inhouden dat de makelaar, tegen het in de branche gebruikelijke tarief, de vraag- en laatprijs van het appartement bindend zal vaststellen en alle overige werkzaamheden in het kader van de verkoop van het appartement zal verrichten;
6.1.5.
partijen moeten de makelaar alle medewerking verlenen die nodig is voor de verkoop van het appartement, waaronder (maar niet beperkt tot) het opruimen van het appartement voor het maken van foto’s en het laten bezichtigen van het appartement door potentiële kopers. Partijen stemmen zo snel als mogelijk in met een op het appartement uitgebracht bod als dit gelijk aan of hoger is dan de door de makelaar bindend vastgestelde laatprijs. Zij ondertekenen binnen vijf dagen na het verzoek hiertoe van de makelaar de koopovereenkomst waarin dit wordt vastgelegd. En zij tekenen op de in de koopovereenkomst vastgestelde leveringsdatum bij de notaris de leveringsakte of al eerder een volmacht voor de levering. De levering zal minimaal drie maanden na het verstrekken van de verkoopopdracht aan de makelaar plaatsvinden, tenzij partijen anders overeenkomen;
6.1.6.
partijen betalen ieder de helft van de - voor de hen als verkopers komende - kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten voor de verkoop en levering van het appartement;
6.1.7.
partijen zullen een eventuele hypothecaire geldlening aflossen uit de verkoopopbrengst van het appartement op het moment dat het appartement aan een derde wordt geleverd. De verkoopopbrengst c.q. de overwaarde zal door partijen bij helfte worden gedeeld;
Ten aanzien van de overige vorderingen
6.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat partijen in conventie en in reconventie de eigen proceskosten dragen;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.E. Alink en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Voetnoten

1.Vgl. Gerechtshof Den Haag van 8 augustus 2023 ECLI:NL:GHDHA:2023:1535.
2.Vgl. rechtbank Amsterdam 6 maart 2024 ECLI:NL:RBAMS:2024:1309 en rechtbank Overijssel
3.Hoge Raad 22 januari 1965, ECLI:NL:HR:1965:AC4536.