ECLI:NL:RBDHA:2026:12778
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling en Dublinindicaties
Eiser is op 25 april 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Twee besluiten tot vrijheidsontneming zijn genomen, waarvan het eerste besluit pas op 26 april 2026 digitaal werd ondertekend vanwege een technische storing. Eiser betoogt dat het eerste besluit niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat Dublinindicaties ten onrechte niet zijn aangenomen.
De rechtbank oordeelt dat het eerste besluit weliswaar op 25 april 2026 aan eiser is uitgereikt, maar dat het dossier geen ondertekend besluit van die datum bevat. Verder blijkt uit het tweede besluit dat verweerder op 26 april 2026 Dublinindicaties aannam op basis van informatie die reeds op 25 april 2026 bekend was. Dit had ook in het eerste besluit gemotiveerd moeten worden, waardoor het beroep tegen het eerste besluit gegrond wordt verklaard.
Ten aanzien van het tweede besluit oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiser niet over de juiste documenten beschikte en dat er sprake was van risico op onttrekking aan toezicht vanwege het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende bestaansmiddelen. Het beroep tegen het tweede besluit wordt daarom ongegrond verklaard.
De rechtbank kent een schadevergoeding toe van €240,- voor twee dagen onrechtmatige detentie en veroordeelt de Staat in de proceskosten van €1.868,-. Het vonnis is uitgesproken door rechter E.M.A. Vinken op 20 mei 2026.
Uitkomst: Beroep tegen eerste besluit gegrond wegens onvoldoende motivering Dublinindicaties, beroep tegen tweede besluit ongegrond, schadevergoeding toegekend voor onrechtmatige detentie.