ECLI:NL:RBDHA:2026:12615

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL26.25775
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 1 december 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst in een uitspraak van 16 april 2026, waarin de maatregel tot dat moment rechtmatig werd bevonden. De beoordeling van het voortduren richtte zich daarom op de periode na 14 april 2026.

Eiser voerde aan dat er geen zicht op uitzetting naar Algerije bestond. De rechtbank oordeelde echter dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet ontbreekt, mede omdat de nationaliteit van eiser is bevestigd en een presentatie gepland staat. Er zijn geen aanwijzingen dat geen laissez passer zal worden afgegeven.

De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig is en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25775

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

gemachtigde: mr. F.A. Broersma,
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 1 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 12 mei 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 16 april 2026 in de zaak NL26.19166 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 14 april 2026.
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat er in zijn geval geen zicht op uitzetting naar Algerije bestaat.
4.1
De rechtbank is van oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije op dit moment niet ontbreekt, niet in algemene zin [1] en ook niet in eisers specifieke geval. Uit de voortgangsrapportage volgt immers dat eisers nationaliteit is bevestigd wat betekent dat er op korte termijn een vlucht kan worden geboekt. Wel is het zo dat de consul hem eerst nog wil spreken en in persoon wil zien. Inmiddels staat er een presentatie gepland op 13 mei 2026. Er bestaan op dit moment geen indicaties die erop wijzen dat er voor eiser geen laissez passer zal worden afgegeven. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ambtshalve geen aanleiding om te oordelen dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn in het geval van eiser ontbreekt.
5. Ook overigens is niet gebleken dat (het voortduren van) de maatregel van
bewaring onrechtmatig is. [2]
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

2.ECLI:EU:C:2022:858, ECLI:EU:C:2025:647, ECLI:EU:C:2026:148.