De rechtbank Den Haag heeft op 19 mei 2026 het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring van 1 mei 2026 beoordeeld. De minister had de bewaring opgelegd op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht volgens de Dublinverordening en het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.
Eiser stelde dat het binnentreden in zijn woning onrechtmatig was omdat de ambtenaren niet eerst hadden geklopt. De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 44a Vw 2000 en de geldige machtiging het binnentreden zonder toestemming rechtmatig was en dat kloppen niet verplicht was. Tevens voerde eiser aan dat de minister artikel 59, derde lid, Vw 2000 had moeten toepassen omdat hij vrijwillig wilde vertrekken, maar de rechtbank vond dat eiser onvoldoende concreet en geloofwaardig was in zijn medewerking.
De rechtbank stelde vast dat de zware gronden voor bewaring feitelijk juist waren en dat de lichte grond 4d was komen te vervallen. De overige betwiste gronden werden niet verder beoordeeld omdat de zware gronden voldoende waren. De rechtbank hechtte geen betekenis aan de vermelding dat eiser bekend stond als overlastgevende vreemdeling. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.