ECLI:NL:RBDHA:2026:12545

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
NL26.8268
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • T.G. Noordhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 20 OpvangrichtlijnArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 behandeld en beoordeelt of de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat inhoudt dat lidstaten mogen vertrouwen op elkaars naleving van internationale verplichtingen. Eiser stelde dat hij in Frankrijk geen passende opvang en medische zorg heeft ontvangen en vreest herhaling hiervan, wat volgens hem een uitzondering op het vertrouwensbeginsel rechtvaardigt.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht mag uitgaan van het vertrouwensbeginsel, mede gelet op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het AIDA-rapport. De door eiser gestelde omstandigheden zijn onvoldoende om een reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro aan te nemen. Ook het beroep op onevenredige hardheid op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro faalt, omdat eiser zijn medische problemen onvoldoende heeft onderbouwd.

Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en de asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de minister de asielaanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8268

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 13 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld, tezamen met eisers verzoek om een voorlopige voorziening te treffen. [1] Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek op 23 januari 2026 aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser betoogt dat de minister, gelet op zijn ervaringen in Frankrijk, niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zijn asielaanvraag is daar meerdere malen afgewezen en hem is opvang onthouden, waardoor hij langdurig dakloos is geweest en op straat met geweld te maken heeft gehad. Ook heeft hij enige tijd in detentie verbleven. Daarnaast stelt eiser dat hij, ondanks rugklachten en psychische problematiek, geen passende medische zorg heeft ontvangen. Eiser gaat ervan uit dat als hij overgedragen wordt aan Frankrijk hij niet tot de asielprocedure wordt toegelaten, geen recht krijgt op opvang, weer dakloos zal zijn en onvoldoende medische zorg zal ontvangen. Eiser wijst op uitspraken van Duitse en Belgische rechters waarin is geoordeeld dat overdracht aan Frankrijk onder vergelijkbare omstandigheden niet kon plaatsvinden. [3] Ten slotte voert eiser aan dat het onzorgvuldig is dat de minister geen onderzoek heeft gedaan naar de door eiser gestelde gebeurtenissen in Frankrijk.
5.1.
Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister ervan uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Deze tekortkomingen moeten dan een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [4] Of deze bereikt wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.
5.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft voor Frankrijk geoordeeld dat de minister in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [5] In de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2025 is ook de laatste update (2024) van het AIDA-rapport over Frankrijk en de opvangsituatie van Dublinclaimanten betrokken. De overgelegde uitspraken van de buitenlandse rechters, die deels gedateerd en wat betreft de feiten niet zonder meer vergelijkbaar zijn, geven geen aanleiding om van dit oordeel van de Afdeling af te wijken. De minister mocht er daarom van uitgaan dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen, waaronder die uit het EVRM en de relevante Europese richtlijnen inzake asiel en opvang, naleeft. Dat eiser in Frankrijk eerder dakloos is geweest en vreest opnieuw geen opvang te zullen krijgen, leidt niet tot een ander oordeel. De minister wijst er terecht op dat het stopzetten van voorzieningen een logisch gevolg was van de afwijzing van eisers asielaanvraag in Frankrijk. De rechtbank wijst in dit verband ook naar artikel 20 van Pro de Opvangrichtlijn, dat lidstaten toestaat materiële opvangvoorzieningen te beperken of in te trekken bij een opvolgende aanvraag. Van strijd met internationale afspraken is dus geen sprake. Wat betreft de vrees van eiser om in bewaring te worden genomen in Frankrijk geldt dat de bevoegdheid van Frankrijk om vreemdelingen in bewaring te nemen in internationale afspraken, zoals in het bijzonder de Terugkeerrichtlijn, is vastgelegd. De minister mag erop vertrouwen dat Frankrijk zich daaraan houdt. Ook wat betreft de zorg voor de gestelde medische problematiek mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij mag ervan uitgaan dat de medische voorzieningen in Frankrijk van vergelijkbare kwaliteit zijn als in Nederland en dat deze voorzieningen ter beschikking staan van eiser. Eiser heeft niet aangetoond dat dit niet het geval is. Bovendien heeft eiser niet met objectieve medische informatie aangetoond dat hij medische problemen heeft. Tot slot heeft de minister terecht van belang geacht dat eiser zich bij eventuele problemen over opvang, detentie of medische zorg kan wenden tot de bevoegde Franse autoriteiten of daartoe geëigende instanties. Om deze redenen zijn ook geen individuele garanties nodig, als bedoeld in het arrest Tarakhel [6] .
Had de minister de asielaanvraag onverplicht op zich moeten nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening?
6. Eiser betoogt dat de minister vanwege zijn ervaringen in Frankrijk en medische problematiek gehouden is de asielvraag op zich te nemen, omdat overdracht aan Frankrijk zou getuigen van onevenredige hardheid.
6.1.
Op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening kan een lidstaat onverplicht de behandeling van een asielaanvraag aan zich trekken. Dit doet de minister onder meer indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. [7] Gelet op de ruime beoordelingsvrijheid toetst de rechtbank deze beslissing enigszins terughoudend.
6.2.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser gestelde ervaringen in Frankrijk al zijn betrokken bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op grond van vaste jurisprudentie mocht de minister voor de beoordeling of sprake is van onevenredige hardheid volstaan met een verwijzing naar die eerdere beoordeling, zonder deze omstandigheden opnieuw afzonderlijk te wegen. [8] De minister heeft zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat verder niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die overdracht onevenredig maken. Daarbij heeft de minister niet ten onrechte tegengeworpen dat eiser zijn medische problemen niet heeft onderbouwd met medische documenten en dat er daarom geen aanwijzingen zijn dat eiser in Nederland specialistische zorg nodig heeft of een behandeling dient te ondergaan.
Overige beroepsgronden
7. Ter zitting heeft eiser de overige beroepsgronden, waaronder het beroep op het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië en de stelling dat artikel 32 van Pro de Dublinverordening onjuist is toegepast, laten vallen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister de aanvraag van eiser terecht niet in behandeling heeft genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G. Noordhof, rechter, in aanwezigheid van E.G.P. Rutten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL26.8269
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Uitspraak van Verwaltungsgericht Hannover van 14 januari 2025, Ref: 15 A 4188/24; arrest nr. 159.901 van 14 januari 2016 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
4.De Jawo-drempel: zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de zaak C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218.
5.ABRvS 30 augustus 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:3552) en ABRvS 31 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3623).
6.EHRM 4 november 2014, Tarakhel t. Zwitserland (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712).
7.Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
8.ABRvS 25 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:717), r.o. 7.3.