ECLI:NL:RBDHA:2026:11935
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
De minister heeft op 14 maart 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek op 12 mei 2026 gesloten zonder zitting.
De rechtbank toetste het voortduren van de maatregel vanaf 27 maart 2026, het moment van sluiting van het eerdere onderzoek. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde bij de voorbereiding van zijn uitzetting, dat hij nog niet was gepresenteerd en dat er geen zicht op uitzetting was. Ook voerde hij aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel werd toegepast.
De rechtbank oordeelde dat de minister wel degelijk voortvarend had gehandeld, met meerdere acties en rappelleringen na 27 maart 2026. Eiser was uitgenodigd voor vertrekgesprekken, maar verscheen niet op de laatste afspraak. De rechtbank vond dat er geen reden was om aan te nemen dat de Algerijnse autoriteiten niet binnen redelijke termijn een laissez-passer zouden verstrekken. Ook was er geen aanleiding om een lichter middel toe te passen.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.