Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11935

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
NL26.25937
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De minister heeft op 14 maart 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek op 12 mei 2026 gesloten zonder zitting.

De rechtbank toetste het voortduren van de maatregel vanaf 27 maart 2026, het moment van sluiting van het eerdere onderzoek. Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde bij de voorbereiding van zijn uitzetting, dat hij nog niet was gepresenteerd en dat er geen zicht op uitzetting was. Ook voerde hij aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom geen lichter middel werd toegepast.

De rechtbank oordeelde dat de minister wel degelijk voortvarend had gehandeld, met meerdere acties en rappelleringen na 27 maart 2026. Eiser was uitgenodigd voor vertrekgesprekken, maar verscheen niet op de laatste afspraak. De rechtbank vond dat er geen reden was om aan te nemen dat de Algerijnse autoriteiten niet binnen redelijke termijn een laissez-passer zouden verstrekken. Ook was er geen aanleiding om een lichter middel toe te passen.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25937

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

1. De minister heeft op 14 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 12 mei 2026 gesloten.

Overwegingen

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 maart 2026 volgt dat de maatregel van bewaring rechtmatig was tot 27 maart 2026, het moment van het sluiten van het onderzoek in die zaak. [2] Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 27 maart 2026.
Standpunt eiser
3. Eiser voert aan dat uit de voortgangsrapportage niet blijkt van voldoende voortvarend handelen van verweerder ten aanzien van de voorbereiding van de uitzetting.
Eiser stelt dat er in januari 2026 een lp [3] is aangevraagd. Ook stelt eiser dat hij nog niet is gepresenteerd en dat hiervoor evenmin een afspraakdatum is geregistreerd. Hiernaast stelt eiser dat er onvoldoende is gerappelleerd sinds het sluiten van het onderzoek op 27 maart 2026. Eiser is van mening dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Uit de verslagen van de vertrekgesprekken blijkt dat het niet goed gaat met eiser en ook daarom zou aan hem een lichter middel opgelegd moeten worden. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit niet mogelijk is.
4. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld. Hierbij verwijst de rechtbank naar de voortgangsrapportage van 8 mei 2026 waaruit blijkt dat er sinds het sluiten van het onderzoek op 27 maart 2026 meerdere acties zijn ondernomen. De minister heeft voor de lp-aanvraag schriftelijk gerappelleerd op 2 april 2026 en op 23 april 2026. Dat eiser nog niet in persoon is gepresenteerd doet hier niet aan af. Daarnaast is eiser op 13 april en 7 mei 2026 uitgenodigd voor een vertrekgesprekgesprek met DTenV. Tijdens het gesprek van 13 april is eiser geïnformeerd over zijn lopende lp-aanvraag en is gerefereerd aan een eerder gesprek van eiser. Eiser zou contact opnemen met zijn familie over een geboorteakte en een ander document. Eiser heeft hierover op 13 april 2026 aangegeven zich dit niet te herinneren. Daarnaast geeft eiser tijdens dit gesprek te kennen dat hij niet wil terugkeren naar Algerije, omdat hij daar niets te zoeken heeft. Eiser is op het gesprek van 7 mei 2026 niet verschenen, omdat hij niet wilde praten. De rechtbank acht deze gang van zaken voldoende voortvarend.
4.1.
Ten aanzien van het zicht op uitzetting naar Algerije is de rechtbank van oordeel dat dit in het algemeen niet ontbreekt. [4] Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de Algerijnse autoriteiten niet binnen een redelijke termijn een lp aan eiser kunnen verstrekken. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat zicht op uitzetting ontbreekt.
4.2.
De minister is er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Temeer nu eiser in het vertrekgesprek van 13 april 2026 aangeeft niet terug te willen naar Algerije, omdat hij daar niets te zoeken heeft. Ook is eiser niet op het vertrekgesprek van 7 mei 2026 is verschenen en heeft hij geen verdere acties in gang gezet om (vervangende) reisdocumenten te krijgen. De rechtbank leest in het verslag van het vertrekgesprek van 13 april 2026 dat eiser volgens de regievoerder een verwarde indruk maakt, niet reageert en glazig kijkt. De minister heeft hierin geen aanleiding hoeven zien een lichter middel op te leggen, zeker niet nu eiser geen nadere onderbouwing heeft gegeven. De stelling van eiser dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen lichter middel is opgelegd, wordt dan ook niet gevolgd. Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.
Er zijn geen andere omstandigheden gebleken die maken dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is. [5]

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van E.S. Tiggelaar, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.NL26.14372.
3.Laissez passer.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 23 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7807.
5.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).