AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling rechtmatigheid rioolheffing voor opslagunits in bedrijfsverzamelgebouw
Eiseres, eigenaar van twintig opslagunits in een bedrijfsverzamelgebouw, maakte bezwaar tegen rioolheffingsaanslagen voor 2023-2025. De rechtbank oordeelt dat de units als zelfstandige percelen in de zin van de gemeentelijke verordening gelden, omdat zij afzonderlijk overdraagbaar zijn en indirect zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering via een spoelbak met afvoer.
Eiseres stelde dat de heffing onterecht is, dat zij onterecht niet is gehoord en dat de gemeente niet alle relevante stukken heeft overgelegd. De rechtbank oordeelt dat het hoorrecht niet is geschonden omdat eiseres niet om een hoorgesprek heeft verzocht, maar dat zij wel ten onrechte niet is toegestaan haar bezwaargronden aan te vullen, waarvoor vergoeding van griffierecht wordt toegekend.
Verder faalt het beroep op het gelijkheidsbeginsel omdat gelijke gevallen gelijk worden behandeld en geen sprake is van begunstiging. Ook het vertrouwensbeginsel faalt omdat geen sprake is van een welbewuste standpuntbepaling van de gemeente. De heffing naar een vast tarief per perceel is toegestaan binnen de gemeentelijke beleidsvrijheid en schendt geen discriminatie- of evenredigheidsbeginsel. De stelling dat de opbrengstlimiet is overschreden wordt verworpen na toelichting van de gemeente.
De beroepen worden ongegrond verklaard, maar de gemeente wordt opgedragen het griffierecht aan eiseres te vergoeden.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de rechtmatigheid van de rioolheffing voor de opslagunits.
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
16 april 2026 in de zaken tussen
[bedrijf] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres,(gemachtigde: C. Overduin)
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Zuidplas, verweerder.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van verweerder van 30 juli 2025 en 31 juli 2025 op de bezwaren van eiseres tegen de aan haar opgelegde aanslagen rioolheffing voor de jaren 2023 (SGR 25/6236), 2024 (SGR 25/6435) en 2025 (SGR 25/6484, SGR 25/6504, SGR 25/6505, SGR 25/6507, SGR 25/6508, SGR 25/6509, SGR 25/6511, SGR 25/6514, SGR 25/6515, SGR 25/6516, SGR 25/6517, SGR 25/6518, SGR 25/6519, SGR 25/6520, SGR 25/6521, SGR 25/6524, SGR 25/6525, SGR 25/6526, SGR 25/6527 en SGR 25/6528).
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2026.
Namens eiseres is C. Overduin verschenen. Namens verweerder is [naam] verschenen.
De zaken van eiseres zijn ter zitting gelijktijdig behandeld met identieke zaken van andere eigenaren van units in het verzamelgebouw aan de [adres 1] .
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 385 aan eiseres te vergoeden.
Overwegingen
1. Eiseres is eigenaar van twintig opslagunits gelegen in een verzamelgebouw van drie verdiepingen (zes units van 48m2 op de begane grond, negen units op de eerste verdieping, waarvan één unit van 32m2 en acht units van 48m2 en vijf units van 48m2 op de tweede verdieping). Het verzamelgebouw bestaat uit in totaal 81 opslagunits. Eén daarvan is een algemene unit, in eigendom van de Vereniging van Eigenaren (VvE), die is voorzien van een spoelbak met warm en koud water en toiletten, direct aangesloten op de gemeentelijke riolering. De units van eiser zijn (eveneens) voorzien van een (kleine) spoelbak met koud water en een afvoer die indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. De units hebben geen afzonderlijke water(meter)aansluiting. Het verzamelgebouw heeft één wateraansluiting, die zij deelt met een naastgelegen garagebedrijf en een sportschool. Voor het waterverbruik betaalt eiseres een vast bedrag aan de VvE.
2. In 2025 zijn aan eiseres ter zake van de eigendom van de units aanslagen rioolheffing opgelegd voor de jaren 2023, 2024 en 2025. Eiseres heeft tegen die aanslagen bezwaar gemaakt.
3. Voor de jaren 2023 en 2024 heeft verweerder per abuis enkel uitspraak op bezwaar gedaan voor één unit ( [adres 2] ). Voor 2025 is wel uitspraak op bezwaar gedaan voor alle units. Bij brieven van 5 januari 2026 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Tot op heden heeft verweerder geen uitspraak op bezwaar gedaan inzake de aanslagen rioolheffing 2023 en 2024 voor zover deze betrekking hebben op de overige negentien units van eiseres.
4. In geschil is of de aanslagen rioolheffing terecht aan eiseres zijn opgelegd. Eiseres beantwoordt deze vraag ontkennend en voert daartoe het volgende aan:
De units zijn geen perceel als bedoeld in De verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2016 van de gemeente Zuidplas (de Verordening);
Een losse garagebox zal in de regel zijn vrijgesteld op grond van artikel 5 vanPro de Verordening. De units dienen op dezelfde wijze behandeld te worden nu er alleen hemelwater wordt geloosd;
De units hebben geen eigen dak. Het dakoppervlak dat toerekenbaar is aan de units is kleiner dan 24m2;
De rioolheffing is in strijd met het gelijkheidsbeginsel;
De rioolheffing is in strijd met het vertrouwensbeginsel;
Rioolheffing naar een vast tarief per perceel is in strijd met het verbod van discriminatie, het evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook de Kaderrichtlijn Water vereist dat bij het tarief rekening wordt gehouden met het waterverbruik;
De opbrengstlimiet wordt overschreden.
Verder stelt eiseres dat het hoorrecht is geschonden en dat zij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld om haar bezwaargronden aan te vullen. Ook stelt eiseres dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en dat verweerder veel fouten heeft gemaakt.
Schending hoorplicht en geen gelegenheid om de bezwaargronden aan te vullen
5. Eiseres stelt dat zij in de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord. De rechtbank volgt eiseres daarin niet. Artikel 7:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) schrijft voor dat een bestuursorgaan de belanghebbende in de gelegenheid stelt om te worden gehoord voordat op het bezwaar wordt beslist. In artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is echter bepaald dat in afwijking van artikel 7:2 vanPro de Awb slechts een hoorgesprek plaatsvindt indien de belanghebbende daarom verzoekt. Eiseres heeft in bezwaar niet verzocht om te worden gehoord. Het hoorrecht is daarom niet geschonden.
6. De klacht dat eiseres niet in de gelegenheid is gesteld om haar bezwaargronden aan te vullen, slaagt evenwel. In zijn bezwaarschriften inzake de aanslagen voor 2023 en 2024 schrijft eiseres:
“Betreft: bezwaarschrift op nader aan te voeren gronden”
En ook:
“ik heb meer tijd nodig om mijn bezwaar duidelijk te onderbouwen. Ik verzoek u mij, naast een ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift, op grond van artikel 6:6 AwbPro een redelijke termijn te stellen waarbinnen de nadere gronden van het bezwaarschrift kenbaar moeten worden gemaakt.”
7. Verweerder heeft eiseres desondanks niet in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren aan te vullen. Anders dan eiseres stelt, brengt dit niet mee dat artikel 6:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschonden. In dat artikel is immers bepaald dat een bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijk mag worden verklaard als het niet aan de vereisten voldoet, mits de indiener in de gelegenheid is gesteld om het verzuim te herstellen. Nu het bezwaarschrift niet niet-ontvankelijk is verklaard, is van een schending van artikel 6:6 AwbPro geen sprake. Wel ziet de rechtbank in deze gang van zaken aanleiding om het griffierecht aan eiseres te laten vergoeden.
De op de zaak betrekking hebbende stukken
8. Eiseres stelt dat verweerder niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Volgens eiseres ontbreken nog stukken met daarin informatie over:
1. de feitelijk gevolgde werkwijze waarbij de units niet werden aangeslagen voor rioolheffing;
2. communicatie/overleg inzake een wijziging van de werkwijze van de gemeente waarbij de gemeente voortaan wel de units wilde gaan aanslaan voor rioolheffing;
3. communicatie/overleg inzake voornoemde beleidswijziging waarbij besproken moet zijn of en zo ja, een redelijke overgangstermijn wordt gehanteerd alsook de wijze waarop dat naar de betrokkenen duidelijk kenbaar zal worden gecommuniceerd;
4. communicatie/overleg inzake het alsnog teruggeven van verschuldigde rioolheffing aan degenen die daar bezwaar tegen maakten;
5. communicatie/overleg inzake de voorgaande punten (1 tot en met 4) met externe partijen, waaronder (doch niet beperkt tot) externe adviseurs, het VNG, andere gemeenten en andere gemeenschappelijke regelingen/Belasting-samenwerkingsverbanden.
9. Verweerder heeft verklaard dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. De stukken waar eiseres om vraagt, bestaan volgens hem niet. De rechtbank heeft geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Met de enkele stelling dat die stukken er zouden moeten zijn, heeft eiseres het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De klacht faalt daarom.
Fouten van verweerder in de procedure
10. Eiseres heeft in haar nader stuk gesteld dat verweerder gedurende de gehele procedure zeer ongeorganiseerd, slordig en uitermate nonchalant heeft gehandeld. Hoewel aan eiseres kan worden toegegeven dat het handelen van verweerder en dan met name het niet doen van uitspraak op bezwaar voor negentien units, geen schoonheidsprijs verdient. Dit kan echter niet leiden tot vernietiging van de aanslagen.
De rioolheffing van de gemeente Zuidplas
11. Op grond van artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet kan door gemeenten onder de naam rioolheffing een belasting worden geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
12. Uit artikel 228a, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet volgt dus dat een gemeente ook kosten kan verhalen van collectieve maatregelen die de gemeente noodzakelijk acht voor een doelmatig werkende riolering en andere collectieve maatregelen ten aanzien van de beheersing van hemelwater en grondwater. Dit is anders dan de vroegere rioolrechten, die alleen konden worden geheven als het perceel een directe of indirecte aansluiting had op de gemeentelijke riolering. Bij de rioolheffing is voldoende dat een perceel belang heeft bij de uitvoering van de gemeentelijke watertaken en deze omvatten meer dan enkel het afvoeren van afvalwater en hemelwater van een perceel via een riolering. Hierdoor kunnen bijna alle percelen in een gemeente in de heffing worden betrokken.
13. De gemeente Zuidplas heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een rioolheffing in te voeren. De Verordening luidt in de onderhavige jaren voor zover hier van belang als volgt:
gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;
water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.
Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
a. de inzameling en transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
1. De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, dan wel belang heeft bij de nakoming van de gemeentelijke zorgplichten.
2. Met betrekking tot de heffing wordt, ingeval het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie Kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat zij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeldPro perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.
1. Geen belasting wordt geheven van percelen, die naar de aard en inrichting dienen tot opslag of stalling van goederen en voertuigen, van waaraf enkel hemelwater direct of indirect wordt geloosd op de gemeentelijke riolering, en het perceel een horizontaal geprojecteerd dakoppervlak van maximaal vierentwintig (24) vierkante meter heeft.
2. Het eerste lid blijft buiten toepassing indien het perceel deel uitmaakt van een samenstel van onroerende zaken.
De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.
(…)”
Kunnen de units worden aangemerkt als een perceel in de zin van artikel 1 vanPro de Verordening?
14. Als perceel wordt aangemerkt een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan. Vaststaat dat het verzamelgebouw als zodanig een onroerende zaak is. Verder staat vast dat voor elke unit afzonderlijke appartementsrechten zijn gevestigd en deze units daardoor afzonderlijk overdraagbaar zijn. De units zijn bovendien blijkens hun indeling bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. De units zijn daarom een zelfstandig gedeelte van een onroerende zaak en daarmee een perceel in de zin van artikel 1 vanPro de Verordening. Anders dan eiseres meent, doet daaraan doet niet af dat de units, met uitzondering van de algemene unit, geen sanitaire voorzieningen hebben. Eiseres heeft in dit kader verwezen naar informatie van de Waarderingskamer over het afbakenen van bedrijfspanden. De afbakening van onroerende zaken voor de Wet WOZ is voor de rioolheffing echter niet van belang nu de Verordening voor het begrip ‘perceel’ niet aansluit bij de Wet WOZ.
Het belastbaar feit
15. Vaststaat dat de units van eiseres beschikken over een spoelbak(je) met een kraan en een afvoer die indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. Daarmee is reeds voldaan aan het belastbaar feit zoals vermeld in artikel 3 vanPro de Verordening. Of er vanuit de units water wordt geloosd en, zo ja, wat de aard van dat water is en hoeveel water dat is, doet voor wat betreft het belastbaar feit niet ter zake. Voldoende is dat het perceel direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, dan wel belang heeft bij de nakoming van de gemeentelijke zorgplichten.
Gelijke behandeling met losse garageboxen
16. Eiseres stelt dat artikel 5 vanPro de Verordening in de regel ertoe zal leiden dat losse garageboxen zijn vrijgesteld van rioolheffing. De units zijn volgens eiseres in wezen op één lijn te stellen met dergelijke garageboxen, aangezien zij naar aard en inrichting worden gebruikt voor opslag of stalling van goederen en voertuigen en er bij de units geen sprake is van huishoudelijk afvalwater of van bedrijfsafvalwater in de zin van de Verordening. Hierbij verwijst eiseres naar deze begrippen volgens de Wet Milieubeheer. De units zouden daarom net als losse garageboxen moeten worden vrijgesteld van rioolheffing. Dit geldt temeer nu bij de units het hemelwater niet wordt geloosd op de gemeentelijke riolering maar op een sloot waar de gemeente geen enkele bemoeienis mee heeft.
17. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Voor alle percelen, dus ook voor de units en voor losse garageboxen, geldt dat zij alleen zijn vrijgesteld als wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 5 vanPro de Verordening. Losse garageboxen worden dan ook niet anders behandeld dan de units, zoals eiseres stelt.
18. Vaststaat dat de units van eiseres beschikken over een spoelbak met een kraan en een afvoer die indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat er vanuit de units water wordt geloosd – hoe weinig ook - op de gemeentelijke riolering. Wat de aard van dat water is (of de hoeveelheid daarvan), doet niet ter zake. Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling geldt immers dat enkel hemelwater wordt geloosd. Daarvan is bij de units van eiseres geen sprake.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, behoeft de stelling dat de units geen dak hebben, althans dat het toerekenbare dakoppervlak kleiner is dan 24m2 geen behandeling meer. Als die stelling al juist zou zijn, dan is immers nog steeds niet voldaan aan alle voorwaarden van de vrijstelling.
Gelijkheidsbeginsel
19. Eiseres heeft gesteld dat verweerder aanslagen rioolheffing heeft vernietigd na een telefoontje van de eigenaren van de desbetreffende percelen. Op grond van het gelijkheidsbeginsel dienen daarom ook haar aanslagen te worden vernietigd. Verder heeft zij gesteld dat de algemene unit niet in de rioolheffing is betrokken. Dit duidt volgens eiseres op een oogmerk van begunstiging. Ook daarom is het gelijkheidsbeginsel geschonden, aldus eiseres.
20. De rechtbank overweegt dat van schending van het gelijkheidsbeginsel sprake kan zijn als een bestuursorgaan, zonder dat daarvoor een afdoende rechtvaardiging bestaat, gelijke gevallen ongelijk of ongelijke gevallen niet naar de mate van hun ongelijkheid, ongelijk behandelt. De ongelijke behandeling kan voortvloeien uit een door het bestuursorgaan gevoerd begunstigend beleid of uit een oogmerk van begunstiging. Ook als er van een begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging geen sprake is, kan een bestuursorgaan in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelen. Dit doet zich voor als het bestuursorgaan, wederom zonder afdoende rechtvaardiging, in de meerderheid van gelijke gevallen een juiste wetstoepassing achterwege laat terwijl het de wet wel toepast ten aanzien van de belanghebbende die zich op het gelijkheidsbeginsel beroept (meerderheidsregel).
21. Voor de aanwezigheid van een oogmerk tot begunstiging moet vaststaan dat verweerder het andere geval welbewust heeft bevoordeeld. Hierbij is het oogmerk van verweerder beslissend, niet de voorstelling die eiseres zich daarvan heeft gemaakt. [2] Het is aan eiseres, die stelt dat er sprake is van een oogmerk tot begunstiging, om dit aannemelijk te maken. Daarin is zij niet geslaagd. Het enkele feit dat de algemene unit niet in de heffing is betrokken, is daartoe onvoldoende.
22. Verder heeft verweerder ter zitting verklaard dat is gebleken dat per jaar niet meer dan vijf aanslagen zijn vernietigd. Eiseres heeft dit niet weersproken. Aldus heeft eiseres ook niet aannemelijk gemaakt dat in een meerderheid van de gelijke gevallen een onjuiste wetstoepassing achterwege is gebleven. Van een schending van de meerderheidsregel is dus ook geen sprake. Gelet op het voorgaande faalt eiseres beroep op het gelijkheidsbeginsel.
Vertrouwensbeginsel
23. Eiseres heeft voorts gesteld dat zij niet eerder een aanslag rioolheffing heeft ontvangen voor de units. Verweerder had daarom moeten aankondigen dat er voor de toekomst wel aanslagen zouden worden opgelegd. De rechtbank vat dit op als een beroep op het vertrouwensbeginsel.
24. Aan eiseres moet worden toegegeven dat het op zijn minst onhandig is van verweerder dat zij zonder een aankondiging vooraf voor drie jaren aanslagen rioolheffing heeft opgelegd. Dit is echter niet voldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Daarvoor dient eiseres aannemelijk te maken dat de bestendige gedragslijn van verweerder om geen aanslagen rioolheffing op te leggen voor de units, berust op een welbewuste standpuntbepaling. Daarin is eiseres niet geslaagd.
25. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat op enig moment werd ontdekt dat sommige percelen ten onrechte niet in de rioolheffing waren betrokken, waaronder de units in het verzamelgebouw. Dat heeft hij hersteld door met inachtneming van de driejaarstermijn alsnog aanslagen voor die percelen op te leggen.
Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan aan deze verklaring van verweerder kan worden getwijfeld. De rechtbank acht daarom aannemelijk dat voor eerdere jaren per abuis geen aanslagen rioolheffing voor de units zijn opgelegd. Van een welbewuste standpuntbepaling is dan geen sprake. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve.
Mag de gemeente heffen naar een vast tarief per perceel?
26. Eiseres stelt dat rioolheffing naar een vast tarief per perceel leidt tot schending van het discriminatieverbod en het evenredigheidsbeginsel, omdat zij net zoveel betaalt als de eigenaar van een perceel waar veel water wordt verbruikt. Ook is niet gebleken dat de gemeenteraad bij zijn keuze om geen tariefdifferentiatie toe te passen rekening heeft gehouden met de negatieve gevolgen hiervan voor eiseres. Daarmee is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.
27. Ingevolge artikel 219, tweede lid, van de Gemeentewet, mag de gemeenteraad, met inachtneming van een aantal voorwaarden, zelf invulling kan geven aan de in de belastingverordeningen op te nemen heffingsmaatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. In die autonome bevoegdheid mag de rechter in beginsel niet treden. Daarop geldt een uitzondering in geval komt vast te staan dat de tarieven in strijd zijn met algemene rechtsbeginselen of leiden tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing die de wetgever bij de toekenning van die bevoegdheid aan de gemeente niet voor ogen kan hebben gehad.
28. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 november 2016 [3] het volgende overwogen:
“2.4.1. Bij de beoordeling van de middelen moet worden vooropgesteld dat artikel 1 vanPro de Grondwet niet ieder verschil in behandeling van gelijke gevallen verbiedt, maar slechts die verschillen waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat (vgl. HR 16 juni 1999, nr. 33928, ECLI:NL:HR:1999:AA2772, BNB 1999/286).
2.4.2. Verder moet worden vooropgesteld dat artikel 228a van de Gemeentewet aan gemeenten de ruimte biedt om de rioolheffing met een zekere ruwheid vorm te geven. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling, weergegeven in de onderdelen 4.10 tot en met 4.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, is aan de gemeenten namelijk een grote vrijheid verleend bij die vormgeving. Die vrijheid betreft “(h)et bepalen van de belastingplichtige, de heffingsgrondslag, de heffingsmaatstaf etcetera”.
2.4.3. Zo hoeft de heffingsmaatstaf bij een heffing als de onderhavige niet gerelateerd te zijn aan de hoeveelheid afvalwater die vanuit de percelen wordt geloosd of aan de omvang van de daardoor in individuele gevallen opgeroepen kosten (vgl. HR 15 mei 2009, nr. 07/13148, ECLI:NL:HR:2009:BD5477, BNB 2009/208). Evenmin behoeft de gemeente onderscheid te maken naar de waarde van de onroerende zaak. Het staat een gemeente eveneens vrij om, zoals de gemeente Steenwijkerland hier heeft gedaan, eigenaren van onroerende zaken in de onderhavige rioolheffing te betrekken naar een vast bedrag per perceel. Daarmee blijft de gemeente binnen de haar door de wetgever verleende vrijheid, en maakt zij evenmin inbreuk op het verbod van discriminatie uit artikel 1 vanPro de Grondwet. Aldus kan worden aanvaard dat van de eigenaar van een grote onroerende zaak eenzelfde bedrag wordt geheven als van de eigenaar van een kleine onroerende zaak.”
29. Uit dit arrest volgt dat rioolheffing naar een vast tarief is toegestaan. Er hoeft niet te worden gedifferentieerd naar hoeveelheid afvalwater (of naar de WOZ-waarde) zoals eiseres kennelijk voorstaat. Met haar keuze om eigenaren van percelen in de rioolheffing te betrekken naar een vast tarief per perceel, is de gemeente gebleven binnen de haar door de wetgever verleende vrijheid. Dat andere gemeenten wel tariefdifferentiatie toepassen, is niet relevant, de gemeenteraad van de gemeente Zuidplas bepaalt immers zelf het tarief voor de rioolheffing in de gemeente Zuidplas.
30. Ook de verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2025 [4] kan eiseres niet baten. Uit dat arrest kan niet worden afgeleid dat in onderhavig geval wel sprake is van ongeoorloofde discriminatie. Dat arrest is gewezen voor de zaak die daar aan de orde was. De Hoge Raad geeft in dat arrest geen algemene regels omtrent tariefdifferentiatie.
31. Eiseres heeft ook een beroep gedaan op de Kaderrichtlijn Water. Deze richtlijn gaat uit van het principe dat de vervuiler betaalt. Volgens eiseres is het, gelet op deze Kaderrichtlijn, het profijtbeginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt, disproportioneel om van een unit-eigenaar eenzelfde bedrag aan rioolheffing te heffen als een gemiddeld huishouden, terwijl het verschil in waterverbruik een factor 61 bedraagt.
32. In zijn arrest van 8 december 2017 [5] oordeelt de Hoge Raad voor zover hier van belang:
“De tekst van artikel 9, lid 1, eerste gedachtestreepje, van de KRW laat geen andere uitleg toe dan dat deze bepaling de lidstaten verplicht om gebruikers van watervoorraden te stimuleren om deze efficiënt te benutten, door middel van een prijsbeleid dat adequate prikkels bevat. Deze bepaling sluit geenszins uit dat lidstaten dit doel ook nastreven door het beslag dat een gebruiker doet op watervoorraden in aanmerking te nemen bij de terugwinning van de kosten die gepaard gaan met lozingen, overeenkomstig het beginsel ‘de vervuiler betaalt’; de KRW verplicht hier echter niet toe (vgl. HvJ 16 juli 2009, Futura, C-254/08, ECLI:EU:C:2009:479, punt 48). Het middel faalt ook in zoverre.”
Hieruit volgt dat de Kaderrichtlijn Water niet eist dat de rioolheffing verplicht wordt geheven naar de hoeveelheid geloosd water.
33. Gelet op wat hiervoor is overwogen, stond het de gemeenteraad vrij om te kiezen voor een vast tarief per perceel. Van een schending van het discriminatieverbod, het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel of de Kaderrichtlijn Water is geen sprake.
34. Overigens ziet de stelling van eiseres dat de hoogte van de rioolheffing in verhouding zou moeten staan tot het waterverbruik van een perceel eraan voorbij dat de gemeente via de rioolheffing ook kosten mag verhalen van watertaken die mensen niet direct op hun eigen perceel terugzien. Voorbeelden zijn kosten van collectieve maatregelen die de gemeente noodzakelijk acht voor een doelmatig werkende riolering en collectieve maatregelen ten aanzien van de beheersing van hemelwater en grondwater. Bij dergelijke kosten is het waterverbruik van een perceel niet relevant. Het belang dat een perceel heeft bij de uitvoering van de gemeentelijke watertaken kan dan ook niet enkel en alleen worden gerelateerd aan het waterverbruik.
Opbrengstlimiet
35. Eiseres stelt tot slot dat sprake is van een overschrijding van de opbrengstlimiet. Volgens haar is niet duidelijk waarom de posten ‘Mutatie voorziening riolering’ en ‘Interne doorberekeningen’ voor de desbetreffende bedragen zijn opgenomen in de begroting.
36. De rechtbank stelt het volgende voorop. Nu eiseres overschrijding van de opbrengstlimiet aan de orde stelt, ligt het op de weg van verweerder om inzicht te geven in de raming van baten en lasten welke in de begroting zijn opgenomen. Hierbij hoeft niet ten aanzien van alle in de begroting opgenomen posten zekerheid of een volledig inzicht te bestaan. Het is vervolgens aan eiseres om voldoende gemotiveerd te stellen waarom naar haar oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’. Vervolgens dient verweerder voor die posten nadere inlichtingen te verschaffen. Aan die inlichtingen mag geen zwaardere eis worden gesteld dan dat verweerder naar vermogen - dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is - duidelijk maakt op grond waarvan hij de stellingen van eiseres betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door eiseres opgeworpen twijfel ongegrond is.
37. Verweerder heeft gesteld dat de post ‘interne doorberekeningen’ betrekking heeft op de loonkosten van personeel dat werkzaamheden verricht in het kader van de riolering, alsmede overheadkosten van 12%. Eiseres heeft na deze toelichting niet gesteld dat de post ‘interne doorberekeningen’ geen last ter zake is. Verder heeft verweerder verklaard dat de post ‘Mutatie voorziening riolering’ juist een bijstorting is van de gemeente om het tekort te dekken. Feitelijk is de kostendekkendheid maar 87,7%. Om het tekort aan te vullen spreekt de gemeente de ‘voorziening riolering’ aan. De stelling van eiseres dat de opbrengstlimiet is overschreden faalt derhalve.
Slotsom
38. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn de beroepen ongegrond verklaard. Wel heeft de rechtbank verweerder gelast om het griffierecht aan eiseres te vergoeden.
39. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Arts, rechter, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).