Eiser, een Eritrese asielzoeker behorend tot de Bilen bevolkingsgroep, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij in 2018 was opgepakt wegens het ontduiken van militaire dienstplicht, tien maanden militaire training had gevolgd en daarna was gevlucht uit Eritrea uit vrees voor bestraffing.
De minister wees de aanvraag af wegens het ontbreken van geloofwaardige onderbouwing van identiteit, nationaliteit en herkomst. Eiser kon geen originele documenten overleggen en zijn verklaringen vormden geen samenhangend en aannemelijk geheel. De rechtbank oordeelde dat de minister dit standpunt niet onterecht had ingenomen.
Eiser verzocht om aanhouding van de procedure in afwachting van een geboorteakte, maar dit verzoek werd afgewezen vanwege het late tijdstip, het ontbreken van bewijs dat het om een geboorteakte ging en het feit dat een geboorteakte zonder aanvullende documenten niet doorslaggevend is.
De rechtbank stelde vast dat de overige asielmotieven, zoals vrees voor herhaalde dienstplicht, niet inhoudelijk konden worden beoordeeld zolang de identiteit en herkomst niet geloofwaardig waren. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.