Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11870

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
NL23.40823
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGArt. 8:57 AwbUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen beëindiging facultatieve tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn facultatieve tijdelijke bescherming en de oplegging van terugkeerbesluiten door de minister van Asiel en Migratie.

Eiser, afkomstig uit India en tijdelijk verblijvend in Oekraïne, verkreeg tijdelijke bescherming in Nederland op grond van de EU-Richtlijn tijdelijke bescherming. De minister beëindigde deze bescherming per 4 maart 2024 en legde terugkeerbesluiten op. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten.

De rechtbank oordeelt dat het eerdere besluit van 17 augustus 2023 tot beëindiging en terugkeerbesluit is ingetrokken, waardoor het beroep daarop niet-ontvankelijk is. De rechtbank bevestigt dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 rechtsgeldig is en dat de latere terugkeerbesluiten terecht zijn genomen.

De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan eiser en sluit de procedure zonder inhoudelijke behandeling van het beroep tegen de latere terugkeerbesluiten, omdat hierover reeds uitspraak is gedaan.

De uitspraak is gedaan door rechter W. Loof en griffier T.M.T. Brandsma op 12 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 17 augustus 2023 is niet-ontvankelijk verklaard en de minister is veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.40823

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beëindiging van de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming (Richtlijn) [1] en de oplegging van meerdere terugkeerbesluiten. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht de aan eiser toegekende facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 heeft beëindigd en per die datum een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiser bij besluit van 17 augustus 2023 in kennis gesteld van de beëindiging van de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 september 2023. Dit besluit geldt ook als terugkeerbesluit. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld (NL24.11182). Ook heeft hij verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL24.11185). Op 31 januari 2024 heeft de minister het besluit van 22 augustus 2023 ingetrokken.
2.1.
Op 7 februari 2024 heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit genomen waarin eiser is meegedeeld dat de aan hem toegekende tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 eindigt. Hiertegen heeft mr. P.H. Hillen namens eiser, op 13 maart 2024 beroep ingesteld (NL24.11182) en verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL24.11185).
2.2.
Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek met zaaknummer NL24.11185 toegewezen en bepaald dat eiser moet worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op hem van toepassing is, tot uitspraak is gedaan op het beroep. [2]
2.3.
Bij besluit van 22 juli 2025 heeft de minister eiser, in de zaak met zaaknummer NL24.11182, meegedeeld dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is ingetrokken en vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Eiser heeft hiertegen geen aanvullende gronden gericht.
2.4.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [3]

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser komt uit India. Hij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als zogeheten derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 [4] van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). Ook heeft hij, om deze tijdelijke bescherming te kunnen krijgen, een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag is op 30 mei 2023 buiten behandeling gesteld. Hiertegen is geen beroep ingesteld.
3.1.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiser bij besluit van 17 augustus 2023 bekendgemaakt. Met dit besluit is aan eiser ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. De minister heeft dit besluit ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning van rechtswege niet op deze datum kon eindigen, maar van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. In een brief van 24 januari 2024 heeft de minister eiser gewezen op deze beëindiging van rechtswege op 4 maart 2024. Eiser heeft zijn beroep echter gehandhaafd.
3.2.
De minister heeft op 7 februari 2024 opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd en vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en de Europese Unie moet verlaten. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.
3.3.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 [5] en 25 april 2024 [6] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Deze vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). [7] Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht het een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [8] uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. [9] Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. [10]
Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming/terugkeerbesluit per 4 september 2023
4. De minister heeft het besluit van 17 augustus 2023 tot beëindiging per 4 september 2023 van de aan eiser toegekende tijdelijke bescherming en tot oplegging van een terugkeerbesluit op 31 januari 2024 ingetrokken. Dat betekent in beginsel dat eiser geen belang meer heeft bij een beoordeling van het tegen dit besluit gerichte beroep. Eiser heeft ook geen omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel moeten leiden. Daarom is het beroep tegen het besluit van 17 augustus 2023 niet-ontvankelijk.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 en 22 juli 2025
5. De rechtbank heeft op 20 maart 2026 uitspraak gedaan in de beroepen tegen de terugkeerbesluiten van 7 februari 2024 en 22 juli 2025. [11] Een oordeel hierover is in deze uitspraak daarom niet meer nodig.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep, voor zover gericht tegen het besluiten van 17 augustus 2023 is niet-ontvankelijk.
7.1.
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het besluit van 17 augustus 2023 niet-ontvankelijk;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Zaaknummer NL24.1185.
3.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
4.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
7.ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
9.TK 2024-2025, 19637, nr. 3434.
11.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 20 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6366.