Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11642

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL26.8922
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b Vw 2000Art. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herhaalde asielaanvraag wegens ongeloofwaardige homoseksuele geaardheid en kennelijk ongegrond

Eiser, een Algerijnse nationaliteit dragende persoon, diende op 5 februari 2026 een herhaalde asielaanvraag in Nederland in, stellende dat hij vreest voor vervolging bij terugkeer vanwege zijn homoseksuele geaardheid. Verweerder wees de aanvraag op 17 februari 2026 af als kennelijk ongegrond, omdat de homoseksuele geaardheid niet geloofwaardig werd geacht en de aanvraag werd gezien als een poging uitzetting te voorkomen.

Eiser voerde in beroep aan dat de geloofwaardigheidsbeoordeling onredelijk en onrechtmatig was, verwijzend naar werkinstructie 2024/6 en het arrest Adrar, en dat verweerder onvoldoende rekening hield met overgelegde documenten. De rechtbank oordeelde dat de gehanteerde werkinstructie niet in strijd is met Unierecht en dat verweerder terecht de geloofwaardigheid van de homoseksuele geaardheid betwistte vanwege gebrek aan onderbouwing en inconsistenties.

De rechtbank verwierp ook het beroep op artikel 30b Vw 2000 als onterecht beperkt tot evidente gevallen en vond dat verweerder terecht de aanvraag als opvolgend en kennelijk ongegrond kon afwijzen. Het beroep op het arrest Adrar faalde omdat dit arrest niet ziet op asielbesluiten maar op bewaringsmaatregelen. Het beroep werd ongegrond verklaard, het terugkeerbesluit en het inreisverbod van twee jaar blijven van kracht.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit en inreisverbod blijven van kracht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8922 (beroep)

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

7 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Birrou),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Rijerkerk).

Procesverloop

1. Eiser heeft op 5 februari 2026 een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend in Nederland.
1.1
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 17 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2
Eiser heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op een openbare zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, B. Zaghdoud als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Gronden van de beslissing

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1990 en over de Algerijnse nationaliteit te beschikken. Eiser verblijft momenteel in vreemdelingenbewaring in detentiecentrum Rotterdam. Eiser heeft eerder asielaanvragen in Nederland ingediend, waarvan de afwijzingen in rechte vast staan. Vervolgens heeft eiser op 5 februari 2026 de onderhavige, opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Algerije vreest vanwege zijn homoseksuele geaardheid en de problemen die daaruit volgen.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
De homoseksuele gerichtheid en daaruit volgende problemen.
3.1
De door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser is geloofwaardig geacht door verweerder. De homoseksuele gerichtheid en daaruit volgende problemen zijn niet geloofwaardig geacht. Redengevend daarvoor is dat eiser zijn verklaringen niet met objectieve documenten heeft onderbouwd en dat eiser ook niet anderszins voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid van de Vw 2000. Zo is eiser tegengeworpen dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven (sub a), dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen (sub c) en dat eiser ook in grote lijnen niet geloofwaardig wordt geacht (sub e).
3.2
Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen, nu alleen eisers afkomst uit Algerije onvoldoende is voor gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer. De asielaanvraag is afgedaan als kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 30 b, eerste lid van de Vw 2000, omdat de aanvraag enkel is ingediend om uitzetting of overdracht uit te stellen of te verijdelen (sub f) en het hier gaat om een opvolgende aanvraag die niet niet-ontvankelijk verklaard is (sub g). Aan eiser is een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van 2 jaar opgelegd.
Wat vinden eiser en verweerder in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en heeft aangevoerd dat de wijze van geloofwaardigheidsbeoordeling op grond van Werkinstructie 2024/6 onredelijk en onrechtmatig beleid betreft en verwijst daarbij naar uitspraken [1] van zittingsplaats Roermond. Ook vindt eiser dat verweerder ten onrechte geconcludeerd heeft dat zijn homoseksuele geaardheid ongeloofwaardig is. Verweerder heeft daarbij onvoldoende betekenis toegekend aan de overgelegde aangifte en mocht niet enkel afwijzen, omdat het om een kopie van het document gaat. Eiser wijst in deze zaak op het arrest Adrar [2] en voert aan dat verweerder ook los van de geloofwaardigheid van het asielmotief een 3 EVRM risico bij terugkeer dient te onderzoeken. Ook heeft verweerder de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond, nu deze afwijzingsgrond enkel in evidente gevallen toegepast mag worden.
5. Verweerder heeft op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden van eiser en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
Wat is de motivering van het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet slagen en verklaart het beroep daarom ongegrond. Redengevend daarvoor is het volgende.
6.1
De rechtbank is van oordeel dat de geloofwaardigheidsbeoordeling die door verweerder gehanteerd wordt, en zoals vastgelegd is in Werkinstructie 2024/6, niet onrechtmatig is vanwege strijd met het Unierecht. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak [3] van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats van 6 maart 2025. In hetgeen door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om van dit oordeel van de meervoudige kamer te wijken. De verwijzing naar de uitspraken van de zittingsplaats Roermond maakt dit niet anders en voor aanhouding van deze zaak bestaat dan ook geen aanleiding. Het verzoek om aanhouding is daarom niet gehonoreerd.
6.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de homoseksuele gerichtheid van eiser en de problemen die daaruit volgen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder mocht tegenwerpen dat hij de kopieën van de gerechtelijke stukken niet op echtheid kan laten onderzoeken en heeft desondanks, zoals blijkt op pagina 7 van het bestreden besluit, de inhoud van de kopie van de aangifte betrokken in de beoordeling van het asielrelaas. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat de inhoud van deze documenten het asielmotief van eiser echter niet kan onderbouwen, nu de datering van deze documenten niet aansluit bij eisers verklaringen en ook niet gebleken is dat de inhoud van deze documenten relateert aan de gestelde seksuele gerichtheid van eiser. Bovendien mocht verweerder tegenwerpen dat het merendeel van deze documenten ook al bij de eerste asielaanvraag is beoordeeld door verweerder.
6.3
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat artikel 30b van de Vw 2000 alleen mag worden toegepast op duidelijke en eenvoudige gevallen, waarin zonder diepgaand onderzoek kan worden vastgesteld dat er geen aanspraak op internationale bescherming bestaat en wijst daarbij op de inhoud van deze wettelijke bepaling. Gelet op de eerdere gedragingen van eiser, zoals het onttrekken aan de uitzetting tijdens de transit in Frankrijk, mocht verweerder concluderen dat deze asielaanvraag enkel bedoeld is geweest om uitzetting uit te stellen of te verijdelen en mocht verweerder daarom de f-grond toepassen. Gelet op het voorgaande, en het gegeven dat hier sprake is van een opvolgende asielaanvraag, mocht verweerder ook de g-grond aan eiser tegenwerpen.
6.4
Het beroep op het arrest Adrar slaagt al niet, omdat dit arrest ziet op toetsing van artikel 3 EVRM Pro in het kader van de rechtmatigheid van bewaringsmaatregelen, en niet, zoals in deze zaak, de rechtmatigheid van besluiten op asielaanvragen. Daarnaast is de rechtbank niet anderszins van refoulementrisico’s voor eiser bij terugkeer gebleken.

Conclusies en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat zijn asielaanvraag mocht worden afgewezen als kennelijk ongegrond.
8. Ook het terugkeerbesluit en het inreisverbod van 2 jaar blijven in stand.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan op de openbare zitting van 7 mei 2026 door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
Dit proces-verbaal is ondertekend en verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De verzenddatum van deze uitspraak staat hierboven vermeld.

Voetnoten

2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.