Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11586

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
NL25.52694
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 KwalificatierichtlijnArt. 29, eerste lid, aanhef en onder b Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2011/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag Colombia wegens onvoldoende individuele bescherming

Eiser, een Colombiaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in na bedreiging door een gewapende groepering en het doen van aangifte, waarna hij onderdook en het land verliet. De minister wees de aanvraag af op grond van het standpunt dat in Colombia in het algemeen bescherming mogelijk is en dat eiser onvoldoende inspanningen had verricht om bescherming te zoeken.

De rechtbank oordeelt dat de minister zich voldoende heeft gemotiveerd over de algemene situatie in Colombia, maar onvoldoende rekening heeft gehouden met de individuele situatie van eiser, die uit rurale gebieden komt waar de overheid traag of niet reageert op acute dreigingen. De minister heeft ten onrechte gesteld dat eiser de uitkomst van zijn aangifte had moeten afwachten en dat andere beschermingsmogelijkheden, zoals de UNP, effectief zijn.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.52694
V-nummer: [v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. J-A. Nijland),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).

Procesverloop

Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 21 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N.E. Ramirez-Ruiz als tolk in de Spaanse taal en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

1. De rechtbank beoordeelt het beroep van eiser aan de hand van de argumenten die hij daartoe heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, dat betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna zal de rechtbank verder toelichten hoe zij tot dat oordeel is gekomen en welke gevolgen dat oordeel heeft.
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij stelt van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2001. Eiser woonde in een dorpje in de provincie [naam]. Daar is hij twee keer benaderd door leden van de [groepering], een gewapende groepering. De eerste keer, op 20 juli 2025, is aan hem opgedragen om zich bij hen aan te sluiten. Op 28 augustus 2025 is eiser met de dood bedreigd doorleden van de groep, toen hij niet aan die oproep had voldaan. Op 29 augustus 2025 heeft eiser aangifte gedaan en is hij direct uit zijn woonwijk vertrokken. Eiser is ondergedoken en op 11 september 2025 is hij vertrokken uit Colombia.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst; en
- rekrutering door [groepering] en hieruit voortvloeiende problemen.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat beide motieven geloofwaardig zijn. Echter, niet is gebleken dat de autoriteiten in Colombia geen effectieve bescherming kunnen bieden. Eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel. [1] De minister concludeert dat de asielaanvraag ongegrond is.
De beroepsgronden van eiser
5. Primair voert eiser aan dat de minister niet aan de bewijslast die voortvloeit uit artikel 7 van Pro de Kwalificatierichtlijn [2] heeft voldaan. Uit de landeninformatie, zoals het Algemeen Ambtsbericht over Colombia uit 2024 en het EUAA-rapport over Colombia uit 2025 [3] blijkt dat de Colombiaanse autoriteiten geen doeltreffende en niet-tijdelijke bescherming kunnen bieden. Subsidiair voert eiser aan dat in zijn individuele geval geen bescherming mogelijk is in Colombia. Uit die landeninformatie blijkt dat vooral in rurale en afgelegen gebieden met weinig infrastructuur de autoriteiten niet aanwezig zijn en niet in staat zijn om het wijdverbreide en systematische geweld te stoppen of te voorkomen. De reactiesnelheid van de autoriteiten – vooral in de afgelegen gebieden – is te traag of totaal afwezig, juist nu het geweld voornamelijk plaats vindt in de rurale gebieden.
Binnenlands beschermingsalternatief – toetsingskader
5.1.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [4] volgt dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen eerst door de minister moet worden onderzocht of door de autoriteiten in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij moet hij informatie over de algemene situatie in het land van herkomst betrekken, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties. Indien de minister die vraag bevestigend heeft beantwoord, is het vervolgens aan de desbetreffende vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien hij dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.
Binnenlands beschermingsalternatief – algemene situatie
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat uit de landeninformatie niet blijkt dat er in zijn algemeenheid geen bescherming mogelijk is in Colombia. Niet gebleken is dat de Colombiaanse autoriteiten (desgevraagd) geen bescherming kunnen bieden aan slachtoffers van bendegeweld, zoals eiser, of daartoe onwelwillend zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Binnenlands beschermingsalternatief – individuele situatie
5.3.
Met betrekking tot eisers individuele situatie stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet alle beschermingsmogelijkheden heeft ingeroepen in Colombia en onvoldoende inspanning heeft verricht. Eiser heeft namelijk de behandeling van zijn aangifte niet afgewacht. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de beschermingsmaatregelen onvoldoende en op basis van zijn individuele omstandigheden niet effectief zijn gebleken, dat heeft hij volgens de minister niet gedaan.
5.4.
De rechtbank stelt vast dat uit de landeninformatie blijkt dat in rurale gebieden, waar eiser vandaan komt, de reactiesnelheid van de overheid in het geval van een acute dreiging te traag of zelfs totaal afwezig is. Soms wordt er snel opgetreden bij een dreiging, maar in veel gevallen blijven de autoriteiten in gebreke. [5] Vaststaat dat de aangifte van eiser in behandeling is genomen, maar niet is gebleken dat daar al enig resultaat uit voort is gekomen. Op de zitting heeft eiser verklaard hij in het online dossier alleen een melding van 20 september 2025 kan zien dat er onderzoek zou worden gedaan, maar dat er sindsdien niets meer is gebeurd. Ook is niet gebleken dat aan eiser directe hulp is geboden, anders dan dat zijn aangifte is opgenomen, terwijl niet in geschil is dat eiser met de dood is bedreigd en hulp van de autoriteiten behoefde. De uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag [6] , waarnaar de minister verwijst, ziet op een andere situatie omdat in dat geval de vreemdeling juist in een stedelijk gebied woonde. Ook in die uitspraak is bovendien benoemd dat in die gebieden bescherming beter mogelijk is dan in rurale gebieden. [7] De rechtbank acht de motivering van de minister dat eiser de uitkomst van de aangifte had moeten afwachten, gelet op de genoemde landeninformatie over bescherming in rurale gebieden en ook gelet op de omstandigheid dat er tot op heden nog niks is gebeurd met eisers aangifte, onvoldoende.
5.5.
De minister heeft zich daarnaast ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat andere beschermingsmogelijkheden, zoals bij de UNP [8] , effectief kunnen zijn voor eiser. Ten eerste blijkt uit de landeninformatie dat de UNP bescherming biedt aan personen die bedreigd worden vanwege de sociale of politieke activiteiten die ze uitvoeren. [9] Het gaat daar voornamelijk over politici, journalisten en ambtenaren. Dit zijn groepen waar eiser niet toe behoort. Uit het rapport van het EUAA blijkt bovendien dat die organisatie in “crisis” is vanwege een tekort aan middelen en corruptie. [10] Uit het Ambtsbericht blijkt daarnaast ook dat in rurale gebieden ook de UNP geen individuele bescherming kan bieden wegens een gebrek aan statelijk aanwezigheid. [11]
5.6.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat gelet op het voorgaande eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn individuele geval er geen effectieve bescherming mogelijk is. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt het besluit. De minister moet een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft daarvoor een termijn van zes weken na bekendmaking van deze uitspraak.
7. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. [12] Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden
.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; en
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Waal, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Richtlijn 2011/95/EU.
3.Rapport van de European Union Agency for Asylum (EUAA), country of origin information Colombia, december 2025.
4.Bijvoorbeeld de uitspraak van 29 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3318.
5.Op pagina 56 van het Algemeen Ambtsbericht Colombia van juni 2024.
6.Uitspraak van 2 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16180.
7.In rechtsoverweging 8.1.
8.Unidad Nacional de Protección.
9.Pagina 59 van het Algemeen Ambtsbericht Colombia van juni 2024 en pagina 103 van het EUAA-landenrapport van december 2025.
10.Op pagina 104 van het landenrapport over Colombia van december 2025.
11.Op pagina 57 van het Algemeen Ambtsbericht Colombia van juni 2024.
12.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.