ECLI:NL:RBDHA:2026:11571
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, een Eritrese asielzoeker, diende op 14 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in. Uit onderzoek bleek dat hij eerder in Duitsland internationale bescherming had aangevraagd, waarna Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van zijn aanvraag op grond van de Dublinverordening. De minister van Asiel en Migratie nam de aanvraag niet in behandeling.
Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, maar diende geen beroepsgronden in. De rechtbank gaf hem de mogelijkheid om dit te herstellen, maar eiser maakte hiervan geen gebruik. De rechtbank overwoog dat het beroep daarom niet-ontvankelijk moest worden verklaard volgens artikel 6:5 en Pro 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht.
De rechtbank onderzocht ook de Bahaddar-exceptie, die niet-ontvankelijkheid kan voorkomen bij bijzondere omstandigheden die aantonen dat overdracht aan Duitsland zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank vond echter dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een dergelijke schending. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter E.C. Harting en griffier E. op den Kamp op 24 april 2026 in Rotterdam.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het ontbreken van bijzondere omstandigheden die overdracht aan Duitsland verhinderen.