Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11546

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
NL25.26351
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Verordening (EG) Nr. 810/2009Art. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding en middelen

Eiseressen, zussen van Marokkaanse nationaliteit, verzochten om een visum voor kort verblijf om hun zus en haar gezin in Nederland te bezoeken. De Minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvragen af wegens onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf, onvoldoende middelen van bestaan en twijfel over het voornemen om tijdig terug te keren.

De rechtbank liet het eerste punt onbesproken omdat verweerder dit niet langer betwist. De rechtbank oordeelde dat eiseressen onvoldoende sociale binding met Marokko hadden aangetoond, zoals zorg voor een zorgbehoevende moeder, en dat er redelijke twijfel bestond over hun terugkeer. Ook konden zij niet aantonen over voldoende middelen te beschikken, omdat de garantsteller in Nederland niet rechtmatig verbleef en de referent en zus niet aan de garantstellingsvoorwaarden voldeden.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat elke aanvraag op eigen merites wordt beoordeeld en geen gelijke gevallen waren aangetoond. De hoorplicht was niet geschonden omdat verweerder mocht afzien van horen bij kennelijke ongegrondheid van het bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het griffierecht en proceskostenvergoedingen af en maakte de uitspraak openbaar bekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26351
V-nummers: [v nummer 1] en [v nummer 2]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres 1]

geboren op [geboortedag 1] 1981, van Marokkaanse nationaliteit,
en

[eiseres 2]

geboren op [geboortedag 2] 1989, van Marokkaanse nationaliteit,
hierna gezamenlijk: eiseressen
(gemachtigde: mr. E. El Assrouti),
en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

Inleiding

1. Eiseressen hebben op 12 november 2024 verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf met als doel verblijf bij [persoon 1] (referent).
1.1.
Met de primaire besluiten van 14 november 2024 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 mei 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseressen kennelijk ongegrond verklaard.
1.2.
Eiseressen heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S. Toughza als waarnemer van de gemachtigde van eiseressen,
[persoon 1] (referent), [persoon 2] (de zus van eiseressen), B. Badouri als tolk in de Marokkaanse taal en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiseressen zijn zussen en verblijven in Marokko. Zij hebben verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf omdat zij hun zus en haar gezin willen bezoeken.
3. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag van eiseressen afgewezen op de gronden dat (i) het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond, (ii) eiseressen niet hebben aangetoond te beschikken over voldoende middelen van bestaan om hun verblijf en terugkeer te bekostigen, en (iii) er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseressen het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvragen op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseressen.
5. In het verweerschrift werpt verweerder eiseressen niet langer tegen dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. De rechtbank zal deze afwijzingsgrond dan ook onbesproken laten.
Toetsingskader
6. Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als de aanvrager niet heeft aangetoond over voldoende middelen van bestaan te beschikken zowel voor de duur van het voorgenomen verblijf als voor zijn terugreis naar het land van herkomst [1] of als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. [2] Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. [3] Verweerder kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en/of sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.
Economische en sociale binding met Marokko
7. Eiseressen stellen zich op het standpunt dat zij een stabiel leven leiden in Marokko. Zij onderhouden nauwe banden met hun moeder en broer en hebben een sociaal netwerk. Het ontbreken van een huwelijk of kinderen vormt op zichzelf geen indicatie van onvoldoende binding. Ook is [eiseres 2] de primaire verzorger van hun zorgbehoevende moeder en wonen zij samen. Deze morele verplichting vormt een sterke indicatie van de tijdige terugkeer. Door de hechte band tussen eiseressen ligt het in de rede dat [eiseres 1] terugkeert met haar zus. Het enkele feit dat drie zussen van eiseressen elders in Europa wonen, vormt geen aanwijzing dat zij hun leven in Marokko willen opgeven. Eiseressen verwijzen naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, [4] waaruit volgt dat een geringe sociale of economische binding met het land van herkomst op zichzelf geen sterke omstandigheid vormt waarvan zou kunnen worden aangenomen dat niet aannemelijk is dat de aanvrager tijdig naar het land van herkomst terugkeert. Er zijn geen contra-indicaties aan de orde. Eiseressen kunnen retourtickets overleggen, dit moet in samenhang worden beoordeeld met de andere omstandigheden die zij hebben aangevoerd.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft allereerst terecht opgemerkt dat eiseressen geen gronden hebben gericht tegen het standpunt dat zij een zeer geringe economische binding met Marokko hebben. De gronden met betrekking tot de sociale binding met Marokko hebben eiseressen onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat de moeder van eiseressen zorgbehoevend is en dat [eiseres 2] deze zorg verleent. Verder zijn geen andere omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat eiseressen enige sociale binding hebben met Marokko. Verweerder heeft eiseressen dan ook mogen tegenwerpen dat er redelijke twijfel bestaat over hun voornemen om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. De stelling dat eiseressen een retourticket kunnen overleggen is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om deze twijfel weg te nemen.
Voldoende middelen van bestaan
8. Eiseressen stellen dat zij met het overleggen van de bankafschriften van hun oom, de heer [persoon 3] , hebben aangetoond dat zij beschikken over voldoende middelen van bestaan, zowel voor de duur van het geplande verblijf als voor hun terugreis naar Marokko. De oom van eiseressen heeft verklaard garant te willen staan voor hun verblijfskosten en zij zullen verblijven bij hun zus waardoor zij geen kosten voor accommodatie hoeven te maken. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseressen toegelicht dat de oom moet worden gezien als extra garantsteller, nu referent en de zus van eiseressen ook garant staan.
8.1.
De rechtbank volgt eiseressen niet in hun stelling. Op de zitting is bevestigd dat de heer [persoon 3] geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en dus niet voldoet aan de voorwaarden voor een garantsteller. [5] De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting toegelicht dat referent en de zus van eiseressen ook niet voldoen aan de voorwaarden om garant te staan, nu zij een bijstandsuitkering ontvangen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
9. Volgens eiseressen is de afwijzing van de aanvraag in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Eerder is aan [eiseres 1] namelijk tweemaal een visum verleend op basis van dezelfde referenten en documenten. Het is niet inzichtelijk waarom in dit geval van de eerdere praktijk wordt afgeweken. Ook is het opmerkelijk dat eerder aan [eiseres 1] een visum is toegekend, terwijl zij niet degene is die de primaire zorgverantwoordelijkheid voor hun moeder draagt.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. Elke visumaanvraag wordt namelijk op zijn eigen merites beoordeeld. Daarbij hebben eiseressen niet aangetoond dat sprake is van gelijke gevallen. Bij de inwilliging van de aanvraag in 2019 reisde [eiseres 1] bijvoorbeeld niet met [eiseres 2] , maar met een ander familielid. Ook is in de daarop volgende jaren een aantal visumaanvragen van [eiseres 1] afgewezen. Weliswaar gaan de aanvragen over dezelfde persoon, maar niet gebleken is dat sprake is van gelijke situaties ten opzichte van de eerdere ingewilligde aanvraag van [eiseres 1] . Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
Hoorplicht
10. Eiseressen stellen zich op het standpunt dat de hoorplicht is geschonden. Verweerder had eiseressen moeten horen om de feiten te verhelderen.
10.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat verweerder een vreemdeling hoort in bezwaar en dat verweerder terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. [6] Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [7] De beslissing om die bepaling toe te passen, dient te worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd, bezien in samenhang met de overwegingen in het primaire besluit.
10.2.
Het is aan eiseressen om hun aanvraag en bezwaar te onderbouwen met relevante stukken. Eiseressen hebben hun gestelde economische en sociale binding met Marokko echter niet onderbouwd. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook mogen afzien van het horen van eiseressen.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseressen geen gelijk krijgen. Eiseressen krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 32, eerste lid, onder a, onderdeel iii, van de Verordening (EG) Nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (hierna: Visumcode).
2.Artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode.
3.Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.
5.In paragraaf A1/4.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 staat dat een garantsteller een solvabele derde moet zijn die in Nederland rechtmatig verblijf heeft.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 t/m 5.3.
7.Zie de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 4.