ECLI:NL:RBDHA:2026:11546
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende binding en middelen
Eiseressen, zussen van Marokkaanse nationaliteit, verzochten om een visum voor kort verblijf om hun zus en haar gezin in Nederland te bezoeken. De Minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvragen af wegens onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf, onvoldoende middelen van bestaan en twijfel over het voornemen om tijdig terug te keren.
De rechtbank liet het eerste punt onbesproken omdat verweerder dit niet langer betwist. De rechtbank oordeelde dat eiseressen onvoldoende sociale binding met Marokko hadden aangetoond, zoals zorg voor een zorgbehoevende moeder, en dat er redelijke twijfel bestond over hun terugkeer. Ook konden zij niet aantonen over voldoende middelen te beschikken, omdat de garantsteller in Nederland niet rechtmatig verbleef en de referent en zus niet aan de garantstellingsvoorwaarden voldeden.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat elke aanvraag op eigen merites wordt beoordeeld en geen gelijke gevallen waren aangetoond. De hoorplicht was niet geschonden omdat verweerder mocht afzien van horen bij kennelijke ongegrondheid van het bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het griffierecht en proceskostenvergoedingen af en maakte de uitspraak openbaar bekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard.