Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11487

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
NL26.20954
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 DublinverordeningArt. 8:57 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld en verklaart het ongegrond.

De rechtbank oordeelt dat de minister niet verplicht is zelf te onderzoeken of Kroatië daadwerkelijk verantwoordelijk is, omdat Kroatië het verzoek tot terugname heeft aanvaard en zelf de verantwoordelijkheid moet vaststellen. Daarnaast mag de minister uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat Kroatië een adequaat asiel- en opvangsysteem heeft.

Eiser stelde dat hij mishandeld is door Kroatische politie en dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar zijn rechtspositie en de ernst van de mishandeling. De rechtbank vindt dat de minister dit terecht niet aannam, omdat eiser onvoldoende bewijs leverde en niet aannemelijk maakte dat hij geen effectieve rechtsbescherming in Kroatië kan krijgen. Het beroep wordt daarom afgewezen en het besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20954

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Had de minister zelf moeten onderzoeken welke lidstaat verantwoordelijk is?
4. Eiser betoogt dat, hoewel het accepteren van het terugnameverzoek er in beginsel toe leidt dat Kroatië verantwoordelijk is, dit de minister niet van de verplichting ontslaat om zelfstandig te beoordelen of de overdracht in overeenstemming is met het Unierecht en internationale verdragen. Uit het claimakkoord blijkt dat Kroatië het onderzoek naar de verantwoordelijke lidstaat zal voortzetten. Dat roept vragen op over de fase waarin de asielprocedure zich bevindt en over de rechtspositie van eiser na overdracht. De minister heeft nagelaten om deze onduidelijkheden te onderzoeken en heeft zonder nadere motivering aangenomen dat eiser toegang zal krijgen tot een zorgvuldige en effectieve asielprocedure.
4.1.
Op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening is de lidstaat waarbij een asielaanvraag is ingediend verplicht om over te gaan tot terugname van de vreemdeling die zich zonder verblijfstitel in een andere lidstaat ophoudt of daar opnieuw een asielaanvraag heeft ingediend na zijn eerste, in een andere lidstaat ingediende aanvraag te hebben ingetrokken tijdens de procedure tot bepaling van de lidstaat die verantwoordelijk is.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft niet zelf hoeven onderzoeken of Kroatië daadwerkelijk verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag op grond van de Dublinverordening. Door het claimverzoek van Nederland te aanvaarden, hebben de Kroatische autoriteiten immers erkend dat Kroatië – als de lidstaat waar eiser zijn eerste asielaanvraag heeft ingediend – moet vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag, zoals in artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening is bepaald. [3] Het is dus aan de Kroatische autoriteiten om te onderzoeken of zij daadwerkelijk verantwoordelijk zijn, of dat een andere lidstaat dat is. Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie [4] volgt dat de minister in zo’n geval niet verplicht is om zelf ook te onderzoeken welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande ook niet in waarom de minister onderzoek zou moeten verrichten naar het stadium waarin eisers asielprocedure in Kroatië zich bevindt en zijn rechtspositie daar.
Mag de minister voor Kroatië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de minister voor Kroatië ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat. Eiser heeft consistente en geloofwaardige verklaringen afgelegd over mishandeling door politieautoriteiten. De minister heeft deze verklaring onvoldoende bij de beoordeling betrokken en terzijde geschoven met de enkele overweging dat eiser geen aangifte heeft gedaan en geen hulp heeft gezocht. Deze redenering is onvoldoende, nu van een asielzoeker niet zonder meer kan worden verwacht dat hij bescherming zoekt bij autoriteiten die hem juist hebben mishandeld, noch dat hij in een kwetsbare positie formele stappen zoals aangifte onderneemt. Bovendien heeft de minister nagelaten om door te vragen naar de aard, ernst en omstandigheden van de mishandeling, noch is onderzocht of eiser feitelijk toegang had tot effectieve rechtsbescherming. Het besluit is dan ook onvoldoende gemotiveerd.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij voor Kroatië uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat er geen sprake is van structurele tekortkomingen in het Kroatische asiel- en opvangsysteem. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024 [5] geoordeeld dat voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. De Afdeling heeft dit nogmaals bevestigd in de uitspraken van 6 maart 2025 [6] en 21 november 2025. [7] De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen informatie naar voren heeft gebracht die aanleiding geeft om tot een andere conclusie te komen. Over eisers verklaring dat hij is mishandeld door Kroatische politieambtenaren heeft de minister terecht overwogen dat eiser die onvoldoende heeft onderbouwd. In beroep heeft eiser weliswaar zijn GZA-medisch dossier overgelegd waaruit blijkt dat hij een aantal medische klachten heeft en dat hij heeft verklaard dat hij in Kroatië is mishandeld en sindsdien last heeft van bloedneuzen, nachtmerries en duizeligheid, maar daarmee heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij is mishandeld door Kroatische politieambtenaren. Eiser heeft in zijn beroepsgronden verder ook niet toegelicht wat hij met het medisch dossier naar voren heeft willen brengen. Daarnaast heeft eiser niet toegelicht wat hij nog meer over zijn mishandeling had willen verklaren, en hoe dat de conclusie hierover anders zou kunnen maken. De rechtbank volgt eiser er daarom niet in dat de minister meer had moeten doorvragen over de mishandeling tijdens het aanmeldgehoor. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de Kroatische autoriteiten hem niet willen of kunnen helpen. Eiser heeft alleen verklaard dat hij een ambtenaar over de mishandeling heeft verteld en dat die er niets mee zou hebben gedaan. Dat heeft de minister terecht onvoldoende gevonden. Het enkele gegeven dat politieambtenaren de daders zouden zijn geweest, betekent ook niet dat eiser geen aangifte van de mishandeling kan doen of ergens anders om hulp kan zoeken. Aangezien het – gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel – aan eiser is om gemotiveerd naar voren te brengen dat hij geen mogelijkheden heeft om te klagen bij de Kroatische autoriteiten, heeft de minister niet verder hoeven onderzoeken of eiser toegang heeft tot effectieve rechtsbescherming in Kroatië. Ten slotte blijkt uit het voorgaande dat de minister gemotiveerd is ingegaan op eisers verklaringen, zodat eiser er ook niet in wordt gevolgd dat de minister die onvoldoende bij de beoordeling zou hebben betrokken.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.ABRvS 1 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2024:1812, rechtsoverweging 4.1.
4.Hof van Justitie 2 april 2019, ECLI:EU:C:2019:280 (
5.ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.
6.ABRvS 6 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:919.
7.ABRvS 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.