Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11342

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
NL25.21016
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens schending hoorplicht bij afwijzing visum kort verblijf

Eiseres, een Marokkaanse vrouw geboren in 2002, verzocht op 28 oktober 2024 om een visum kort verblijf om haar partner te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf en twijfel over tijdige terugkeer.

In bezwaar leverde eiseres aanvullende documenten aan over haar zorgtaken voor haar broertjes en zusje, waaronder een gelegaliseerde verklaring van haar moeder. De minister verklaarde het bezwaar ongegrond zonder hoorzitting te houden, stellende dat onvoldoende was aangetoond dat de zorgbehoefte bestond.

De rechtbank oordeelt dat de minister de hoorplicht heeft geschonden omdat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was. De rechtbank benadrukt dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is en dat de minister een hoorzitting had moeten houden om nadere toelichting te verkrijgen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.21016
V-nummer: [V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres ] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. Karami),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Witteman).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een visum kort verblijf. Eiseres is het niet eens met de afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte geen hoorzitting heeft gehouden in de bezwaarfase. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag] 2002 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres heeft op 28 oktober 2024 verzocht om de afgifte van een visum kort verblijf om op bezoek te gaan bij [persoon] (referent) in de periode van 18 november 2024 tot
25 november 2024. Eiseres heeft een relatie met referent.
2.2.
Met het primaire besluit van 8 november 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Volgens verweerder heeft eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende aangetoond en kon het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaat te verlaten vóór het verstrijken van het visum niet worden vastgesteld.
2.3.
Met het bestreden besluit van 25 april 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de sociale en economische binding met het land van herkomst onvoldoende is aangetoond dan wel gering is gebleken, waardoor de tijdige terugkeer van eiseres naar haar land van herkomst niet is gewaarborgd.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres, mr. D.D. Bijlhout (een kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres) en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres om afgifte van een visum kort verblijf terecht heeft afgewezen.
Schending hoorplicht
4.1.
Eiseres voert aan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Verweerder had het bezwaar niet kennelijk ongegrond kunnen verklaren. Eiseres heeft in bezwaar namelijk documenten overgelegd die een nadere beoordeling vergen.
4.2.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [1] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. [2] Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiseres niet gezegd kan worden dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan het standpunt in het primaire besluit. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. In bezwaar heeft eiseres stukken overgelegd om de zorgtaken voor haar broertje en zusje te onderbouwen, waaronder een gelegaliseerde verklaring van haar moeder waaruit volgt dat zij de zorg voor haar broertjes en zusje draagt. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat niet gebleken is dat de broertjes en het zusje van eiseres hulpbehoevend zijn en dat eiseres daadwerkelijk voor hen zorgt. Nu gebleken is dat eiseres in bezwaar wel inspanningen heeft gepleegd om informatie aan te leveren over haar zorgtaken, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder gelegen om een hoorzitting te houden. Op een hoorzitting had verweerder eiseres kunnen vragen naar de zorgtaken voor haar broertjes en zusje.
4.4.
De rechtbank neemt in dit kader ook mee dat verweerder in de bezwaarfase een vragenlijst aan eiseres heeft toegezonden om nadere informatie te verkrijgen. Eiseres heeft deze vragenlijst ingevuld geretourneerd. De rechtbank is van oordeel dat ook uit het toesturen van de vragenlijst blijkt dat verweerder in de bezwaarfase nog geen volledig beeld had van de situatie van eiseres en onderzoek nodig vond. Het toesturen van een vragenlijst met verzoek om stellingen te onderbouwen is een vorm van onderzoek. Als verweerder dit soort onderzoek in de bezwaarfase nodig vindt en in gang zet, en de vragenlijst komt gedetailleerd ingevuld en met onderbouwing bij verweerder retour, valt moeilijk in te zien dat dan nog sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar.
Redelijke twijfel over tijdige terugkeer
5.1.
In het kader van de finale geschilbeslechting merkt de rechtbank over de economische en sociale binding het volgende op.
5.2.
Vaststaat dat eiseres geen inkomen heeft en dat zij geen eigen gezin heeft gevormd in Marokko. Het gaat in deze zaak dus voornamelijk om de sociale binding van eiseres en dus om de zorgtaken voor haar broertjes en zusje. De gemachtigde van eiseres heeft op de zitting toegelicht hoe de zorg van eiseres voor haar broertjes en zusje eruit ziet. Eiseres zorgt voor haar broertjes en zusje en doet het huishouden, zodat haar ouders overdag kunnen werken om de studie van eiseres te bekostigen. Volgens eiseres volgt daaruit dat zij een sterke sociale binding heeft met Marokko. De rechtbank geeft verweerder mee dat tijdens de hoorzitting duidelijk moet worden hoe deze zorgtaken er precies uit zien. Verweerder moet dat vervolgens meenemen bij de beoordeling of sprake is van sociale binding.

Conclusie en gevolgen

6.1.
Het beroep is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
6.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en de proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D. Arnold, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.