Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11340

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
AWB 25.4739
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenveroordeling na gegrondverklaring bezwaar en intrekking voorlopige voorziening

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft verzoeker een verzoek ingediend om de minister van Asiel en Migratie te veroordelen tot betaling van proceskosten. Dit verzoek volgde op de intrekking van een eerder ingediend verzoek om een voorlopige voorziening, nadat de minister het bezwaar van verzoeker gegrond had verklaard en de ongewenstverklaring ongedaan had gemaakt.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek zonder zitting en stelde vast dat het bestuursorgaan door het gegrond verklaren van het bezwaar en het ongedaan maken van het besluit geheel aan het verzoek van verzoeker was tegemoetgekomen. Dit vormde een grond om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen, tenzij bijzondere omstandigheden dat zouden verhinderen. Er waren geen bijzondere omstandigheden aanwezig.

De proceskosten werden vastgesteld op € 934,-, gebaseerd op één proceshandeling door de gemachtigde van verzoeker. De voorzieningenrechter veroordeelde de minister tot betaling van dit bedrag. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/4739

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. S. de Vaal),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoeker om de minister in de proceskosten te veroordelen. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan om het besluit op bezwaar in Nederland te kunnen afwachten. Vervolgens heeft hij het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken, omdat de minister het bezwaar van verzoeker gegrond heeft verklaard en de ongewenstverklaring ongedaan heeft gemaakt. Verzoeker heeft gevraagd de minister te veroordelen in de proceskosten.
1.1.
De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel
hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [3]
4. De minister is verzoeker tegemoetgekomen door beide bezwaren gegrond te verklaren en de ongewenst verklaring ongedaan te maken. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoeker tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. [4] Verzoeker heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. [5] Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Er is niet gebleken van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om de minister in de proceskosten te veroordelen toe.
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door zijn gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 934,-. Dat betekent dat de totale proceskosten die de minister moet vergoeden € 934,- bedragen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe.

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten
3.Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
4.Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
5.Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.