Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11109

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
NL25.42342
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdheid rechtbank bij beroep tegen brief beëindiging bevriezingsmaatregel

Eiseres, afkomstig uit Marokko en met tijdelijke bescherming in Nederland, werd geïnformeerd over de beëindiging van de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 via een brief van de minister. Eiseres stelde beroep in tegen deze brief, stellende dat het een besluit was dat haar verblijf beëindigde en een nieuw terugkeerbesluit inhield.

De rechtbank oordeelt dat de brief slechts een mededeling is en geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtsgevolgen van het beëindigen van de tijdelijke bescherming en het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 zijn reeds vastgesteld en onherroepelijk geworden doordat er geen beroep tegen is ingesteld.

De rechtbank wijst het verweer van eiseres af dat het niet instellen van beroep verschoonbaar is en dat het terugkeerbesluit prematuur was. Ook het beroep op het beginsel van een betrouwbare overheid faalt. De bevriezingsmaatregel geeft geen rechtmatig verblijf en de beëindiging ervan vereist geen nieuw terugkeerbesluit. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd om kennis te nemen van het beroep en beoordeelt de zaak niet inhoudelijk.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de brief over de beëindiging van de bevriezingsmaatregel omdat deze geen besluit is in de zin van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.42342

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de brief van de minister van 15 juli 2025, waarin eiseres is geïnformeerd over de beëindiging van de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025, kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de brief van 15 juli 2025 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De minister heeft eiseres bij brief van 15 juli 2025 geïnformeerd over de beëindiging van de bevriezingsmaatregel. Eiseres heeft op 2 september 2025 beroep ingesteld tegen deze brief en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op 17 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en inleidende opmerkingen
3. Eiseres komt uit Marokko. Zij had in Oekraïne een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met een grootschalige invasie van Oekraïne. Eiseres is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier als derdelander facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming [1] en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (Uitvoeringsbesluit). [2]
3.1.
De minister heeft aanvankelijk bepaald dat de facultatieve tijdelijke bescherming met ingang van 4 september 2023 eindigt. Dit heeft de minister aan eiseres bij besluit van 22 augustus 2023 te kennen gegeven. Met dit besluit is eiseres ook een terugkeerbesluit opgelegd. Hiertegen heeft eiseres geen beroep ingesteld. Dit besluit heeft de minister ingetrokken nadat de Afdeling bestuursrechtspraak voor de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 17 januari 2024 had bepaald dat de minister het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning niet op deze datum kon laten eindigen, maar dat dit recht wel van rechtswege zou eindigen op 4 maart 2024. [3]
3.2.
Deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, en de Afdeling hebben op 29 maart 2024 [4] en 25 april 2024 [5] prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie. Naar aanleiding hiervan heeft de minister een bevriezingsmaatregel genomen, inhoudende dat personen wie tijdelijke bescherming was beëindigd langer gebruik mochten maken van de rechten die zij onder de Richtlijn hadden. De door de Afdeling en zittingsplaats Amsterdam gestelde vragen zijn beantwoord in een arrest van 19 december 2024 (arrest Kaduna). [6] Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. Ook heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het lidstaten niet is toegestaan een terugkeerbesluit te nemen voordat de tijdelijke bescherming is beëindigd. Zoals het Hof heeft uitgelegd mag pas een terugkeerbesluit worden genomen als iemand illegaal in Nederland verblijft. [7]
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 [8] uitgelegd hoe het arrest van het Hof van Justitie dient te worden toegepast en bevestigd dat de tijdelijke bescherming voor derdelanders op 4 maart 2024 is geëindigd. Bij brief van 3 juni 2025 heeft de minister meegedeeld dat hij besloten heeft om naar aanleiding van deze Afdelingsuitspraken de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. [9] Hierover is eiseres persoonlijk geïnformeerd met het hiervoor genoemde bericht van 15 juli 2025. Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, naar aanleiding van het arrest van 19 december 2024 einduitspraak gedaan. [10]
3.3.
De minister heeft bij besluit van 21 februari 2024 vastgesteld dat eiseres met ingang van 5 maart 2024 niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en aan haar een terugkeerbesluit opgelegd. Per brief van 1 mei 2024 heeft de minister vervolgens aan eiseres laten weten dat zij langer gebruik kon maken van de rechten die zij had onder de Richtlijn als gevolg van de bevriezingsmaatregel. Op 17 en 19 februari 2025 heeft eiseres brieven gekregen waarin stond dat de bevriezingsmaatregel (op termijn) stopt. Op 15 juli 2025 heeft eiseres een brief gehad waarin stond dat de bevriezingsmaatregel op 4 september 2025 stopt en dat zij, als zij geen andere verblijfsvergunning heeft of openstaande aanvraag, vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd heeft om Nederland te verlaten. In de brief wordt geen termijn voor beroep of bezwaar vermeld.
Is de brief van 15 juli 2025 een besluit, in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb?
4. Eiseres betoogt dat de brief van 15 juli 2025 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Volgens eiseres wordt met deze brief haar verblijf beëindigd en wordt aan haar een nieuw terugkeerbesluit opgelegd, waartegen zij beroep kan instellen. Eiseres voert aan dat de minister na de (eerdergenoemde) uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 geen afzonderlijk besluit heeft genomen waarin haar verblijfsrecht is beëindigd. Eiseres erkent dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024, maar voert aan dit haar niet kan worden tegengeworpen. Eiseres wijst erop dat zij op dat moment geen advocaat had, dat kort daarna de bevriezingsmaategel werd ingesteld en dat er vanuit de overheid onduidelijkheid bestond over de rechtspositie van derdelanders uit Oekraïne. Volgens eiseres is het niet instellen van beroep daarom verschoonbaar. Daarnaast voert eiseres aan dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 volgens de Afdeling niet genomen had mogen worden. In het licht van een betrouwbare overheid kan volgens haar niet volgehouden worden dat een dergelijk besluit in stand blijft enkel omdat daartegen geen rechtsmiddel is aangewend. In dat verband verwijst eiseres naar de toeslagenaffaire.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de brief van 15 juli 2025 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Met deze brief heeft de minister eiseres slechts geïnformeerd over de gevolgen van de beëindiging van de bevriezingsmaatregel per 4 september 2025. Daarmee zijn geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven geroepen. De rechtsgevolgen vloeien voort uit de beëindiging van de facultatieve tijdelijke bescherming zelf en uit het aan eiseres opgelegde terugkeerbesluit op 21 februari 2024. Met dat besluit is aan eiseres kenbaar gemaakt dat haar rechtmatig verblijf zou eindigen. De verwijzing naar de uitspraak van 23 april 2025 van de Afdeling leidt niet tot een ander oordeel, nu eiseres tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 geen beroep heeft ingesteld en dit besluit daarmee onherroepelijk is geworden.
4.2.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat het verschoonbaar is dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024. Dat eiseres op dat moment geen advocaat had, maakt op zichzelf niet dat zij geen rechtsmiddel kon aanwenden. Ook de omstandigheid dat kort na het terugkeerbesluit de bevriezingsmaatregel is ingesteld, leidt niet tot verschoonbaarheid. Deze maatregel had namelijk een tijdelijk karakter en tastte het reeds genomen terugkeerbesluit niet aan. Ook als het zo zou zijn dat de overheid onduidelijkheid heeft geschapen over de rechtspositie van eiseres, is de rechtbank van oordeel dat die gestelde onduidelijkheid niet wegneemt dat het terugkeerbesluit als zodanig duidelijk was, zowel ten aanzien van de verplichting tot terugkeer als ten aanzien van de rechtsmiddelen en de daarvoor geldende termijn.
4.3.
Verder volgt de rechtbank eiseres niet in het standpunt dat het terugkeerbesluit, omdat het mogelijk prematuur zou zijn genomen, geen betekenis meer heeft. Ook als een besluit prematuur is genomen, maakt dit niet dat het besluit geen rechtsgevolg heeft gehad of niet meer zou bestaan. Een besluit waartegen geen rechtsmiddel is aangewend, krijgt formele rechtskracht. Dit betekent dat in rechte wordt uitgegaan van dat besluit, ook indien achteraf twijfel kan bestaan over de rechtmatigheid van het besluit. Het beroep op het beginsel van een betrouwbare overheid leidt niet tot een ander oordeel, nu eiseres niet heeft onderbouwd dat sprake is van concrete, ondubbelzinnige toezeggingen of gedragingen aan de kant van de overheid waaraan zij gerechtvaardigde verwachtingen kon ontlenen.
4.4.
De rechtbank merkt verder nog op dat de bevriezingsmaatregel geen rechtmatig verblijf geeft, zodat bij de beëindiging daarvan geen nieuw terugkeerbesluit vereist is. Ook de beëindiging van de bevriezingsmaatregel zelf is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Conclusie en gevolgen

5. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Pro Richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.
6.ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna).
7.ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna), punten 137-147; zie ook ABRvS 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829, r.o. 3.7-3.9.