Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11106

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
26/182, 26/733, 26/735 en 26/737
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.45 Wet BRPArt. 1.1 Wet BRPArt. 8:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen inschrijving in het RNI en verzoek tot inschrijving op gemeentelijk briefadres

Verzoekers zijn door de gemeente ingeschreven in het Register Niet-Ingezetenen (RNI) met terugwerkende kracht vanaf 15 augustus 2025, nadat zij niet langer op het laatst bekende adres verbleven en geen nieuw woonadres hadden opgegeven. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen de voorzieningenrechter om het besluit te schorsen en hen in te schrijven op een gemeentelijk briefadres, mede vanwege hun twee minderjarige kinderen.

De voorzieningenrechter overwoog dat verweerder mag verlangen dat verzoekers duidelijkheid verschaffen over hun verblijfplaats om te kunnen beoordelen of inschrijving op een briefadres mogelijk is. Verzoekers weigerden echter de benodigde informatie te verstrekken, waaronder het invullen van het formulier tot hervestiging, omdat zij de inschrijving in het RNI onrechtmatig achten.

Hoewel het belang van een woon- of briefadres wordt erkend, moet het ontbreken van openheid over de verblijfplaats voor rekening en risico van verzoekers komen. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om verweerder op te dragen tot inschrijving op een gemeentelijk briefadres. Tevens is de voorzieningenrechter onbevoegd om te oordelen over het verzoek om verbod op vernietiging of verkoop van de inboedel.

Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, zonder toekenning van griffierechtvergoeding of proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen inschrijving in het RNI en voor inschrijving op een gemeentelijk briefadres wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 26/182, 26/733, 26/735 en 26/737

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekers] e.a., uit [plaats] , verzoekers

en

het college van burgemeester en wethouders van [plaats] , verweerder

(gemachtigden: mr. R.G.A. Jeninga en mr. H.A.E. van Soest).

Inleiding

1. Met het bestreden besluit van 13 oktober 2025 heeft verweerder verzoekers ingeschreven in het register van niet-ingezetenen (RNI), met terugwerkende kracht vanaf 15 augustus 2025. Dit betekent dat zij niet meer als ingezetene van [plaats] staan ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp). Verzoekers zijn het hier niet mee eens en hebben de voorzieningenrechter gevraagd om het treffen van een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoekers zijn wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 maart 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het beroep wegens het uitblijven van een beslissing in zaak nr. SGR 26/680. Hierbij waren aanwezig: [verzoekers] en [naam] , mede namens hun twee minderjarige kinderen, en de gemachtigden van verweerder.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft ter zitting het onderzoek geschorst en de zaak aangehouden omdat verzoekers op 10 maart 2026 een afspraak hebben bij Burgerzaken in [plaats] .
1.4.
Partijen hebben de voorzieningenrechter geïnformeerd over de uitkomst van de afspraak bij Burgerzaken. De voorzieningenrechter heeft partijen op 27 maart 2026 bericht dat zij geen aanleiding ziet om een nadere zitting te houden, tenzij een van de partijen binnen een week na verzending van die brief laat weten dat zij mondeling op een zitting wil worden gehoord. Omdat geen van de partijen binnen deze termijn heeft gereageerd, heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten en doet zij nu uitspraak.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verweerder heeft verzoekers op 15 augustus 2025 gevraagd om contact op te nemen met de afdeling Publieke Dienstverlening / Adresonderzoek, omdat verzoekers niet meer woonachtig zijn op het bij verweerder laatst bekende adres en zij geen nieuw adres hebben opgegeven. Hij heeft verzoekers daarbij geïnformeerd over het voornemen om hen in te schrijven in het RNI. Dit is een register van personen die wel op een of andere manier verbonden zijn aan Nederland, maar hier geen officieel brief- of woonadres hebben. Dit voornemen is per post verstuurd naar het laatst bekende adres, daarnaast per e-mail, en ook gepubliceerd in [plaats] RegelRecht. Dit geldt eveneens voor de bestreden besluiten van 13 oktober 2025 waarbij verweerder verzoekers heeft ingeschreven in het RNI met terugwerkende kracht per 15 augustus 2025. Ook deze zijn verstuurd naar het laatst bekende adres, per e-mail, en gepubliceerd in [plaats] RegelRecht. Het laatst bij de gemeente bekende adres betreft het adres van de (voormalige) woning van verzoekers, deze woning is op 10 juli 2025 ontruimd. Verzoekers hebben toegelicht dat de gemeente hierbij aanwezig was en dat hun inboedel door de gemeente in opslag is genomen. Zij wijzen erop dat verweerder er dus mee bekend was dat zij niet langer op dit adres verbleven en dat zij post dus niet zouden ontvangen. Verzoekers zijn naar eigen zeggen pas recent bekend geraakt met de inschrijving in het RNI, via MijnOverheid.
2.1.
Verzoekers hebben op 7 januari 2026 bij de rechtbank een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Zij vragen de voorzieningenrechter om het besluit van verweerder om hen in te schrijven in het RNI te schorsen en verweerder op te dragen om verzoekers en hun twee minderjarige kinderen in te schrijven in de Brp op een door verweerder aan te wijzen briefadres. Zij wijzen erop dat zij op diezelfde datum bij verweerder bezwaar hebben gemaakt tegen de inschrijving in het RNI. Verzoekers hebben verweerder gevraagd om hen met terugwerkende kracht te verwijderen uit het RNI, en per 10 juli 2025 in te schrijven op een briefadres.
2.2.
Verweerder heeft de brief van 7 januari 2026 opgevat als een verzoek om herinschrijving in de Basisregistratie (Brp) en verwijdering uit de RNI. Dit verzoek heeft verweerder bij besluit van 3 maart 2026 afgewezen. Verweerder heeft de brief van 7 januari 2026 tevens opgevat als verzoek tot inschrijven op een briefadres en heeft verzoekers daarom op 3 maart 2026 uitgenodigd voor een afspraak met Burgerzaken op 10 maart 2026. Verzoekers hebben op zitting verduidelijkt dat zij geen briefadresgever tot hun beschikking hebben, zij doen daarom een verzoek tot inschrijving op een gemeentelijk briefadres.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3.1.
De voorzieningenrechter overweegt dat ongeacht de vraag of verzoekers tijdig bezwaar hebben gemaakt tegen de besluiten van 13 oktober 2025, zij tijdens de mondelinge behandeling van het verzoek op 4 maart 2026 hebben laten weten dat zij eveneens bezwaar maken tegen het besluit van 3 maart 2026, waarbij het verzoek om herinschrijving is afgewezen. De voorzieningenrechter ziet gelet hierop geen aanleiding om het verzoek nietontvankelijk te verklaren vanwege het ontbreken van connexiteit.
3.2.
De voorzieningenrechter komt tot de conclusie dat het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Zij overweegt daartoe het volgende.
3.3.
Verzoekers hadden op 10 maart 2026 een afspraak bij Burgerzaken in [plaats] , voor de inschrijving op een briefadres. Verweerder heeft een brief van 23 maart 2026 overgelegd waaruit volgt dat verzoekers op de afspraak van 10 maart 2026 zijn verschenen, maar dat zij hebben geweigerd om alle informatie aan te leveren die volgens verweerder nodig is om het verzoek tot inschrijving op een gemeentelijk briefadres te kunnen beoordelen. Verzoekers hebben laten weten het formulier tot hervestiging niet te willen invullen. Dit omdat de inschrijving in de RNI volgens hen onrechtmatig is geweest en zij sindsdien geen enkele dag in het buitenland hebben verbleven. De voorzieningenrechter begrijpt dat het voor verzoekers voelt alsof zij met het invullen van dit formulier erkennen dat zij in het buitenland hebben verbleven, maar een inschrijving in het RNI ziet niet uitsluitend op verblijf in het buitenland. [1]
Verder hebben verzoekers in de Vragenlijst verzoek Briefadres de vraag op welke adressen ‘heeft u in de afgelopen drie maanden overnacht’ en ‘hoe lang en op welke adressen zult u de komende tijd naar verwachting overnachten en hoe lang’ beantwoord met ‘geen idee’. Verweerder heeft nog geen inhoudelijke beslissing genomen op het verzoek om verzoekers in te schrijven op een gemeentelijk briefadres.
3.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in beginsel mag verlangen dat verzoekers duidelijkheid verschaffen over hun verblijfplaats, zodat zij voldoen aan de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 2.45 van de Wet BRP. Verweerder kan zonder de gevraagde inlichtingen geen onderzoek doen naar de vraag of verzoekers beschikken over een woonadres als bedoeld in artikel 1.1, aanhef en onder o, van de Wet BRP. Slechts wanneer verzoekers niet beschikken over een woonadres, kan verweerder hen immers inschrijven op een briefadres. [2]
3.5.
De voorzieningenrechter onderschrijft het belang dat verzoekers hebben bij een woon- of briefadres, zeker gelet op de twee minderjarige kinderen, en de consequenties die verzoekers ondervinden van de inschrijving in de RNI. Van verzoekers mag echter enige openheid van zaken worden verwacht. Dat verzoekers om de hun moverende redenen geen duidelijkheid willen verschaffen over hun huidige en toekomstige verblijfplaats, moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter in beginsel voor hun eigen rekening en risico komen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter onder de gegeven omstandigheden geen aanleiding ziet voor het oordeel dat verweerder moet worden opgedragen om verzoekers in te schrijven op een gemeentelijk briefadres.
3.6.
Overigens maakt dit oordeel niet dat verweerder niet alsnog kan overgaan tot inschrijving op een gemeentelijk briefadres. Die beoordeling ligt op dit moment bij verweerder. Daarbij benadrukt de voorzieningenrechter wel dat het uitgangspunt is dat iedereen binnen Nederland met rechtmatig verblijf zou moeten kunnen beschikken over een inschrijving in de Brp, op een woonadres dan wel een briefadres. Zij roept verweerder daarom op om geen extra drempels op te werpen die inschrijving in de Brp onnodig lastig maken, maar drukt verzoekers tegelijkertijd op het hart om waar nodig informatie (alsnog) te verstrekken.
4. Voor zover verzoekers tot slot het verzoek doen verweerder te verbieden over te gaan tot vernietiging, verkoop of vervreemding van hun inboedel totdat verzoekers over vervangende woonruimte beschikken, acht de voorzieningenrechter zich onbevoegd om hierover een oordeel te kunnen geven. Het wegvoeren en opslaan van de inboedel zijn feitelijke handelingen waartegen geen bezwaar en beroep open staat. De inboedel moet in principe gedurende 13 weken worden bewaard. Ook tegen een besluit tot verkoop van de inboedel staat geen bezwaar en beroep open. Dit besluit wordt gezien als een voorbereiding van een privaatrechtelijke rechtshandeling, waartegen op grond van artikel 8:3, tweede lid, van de Awb geen beroep openstaat bij de bestuursrechter.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoekers geen gelijk krijgen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1245.
2.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:152.