Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11049

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
NL25.61011
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 31 lid 6 onder c en e Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige herkomst op basis van taalanalyse

Eiser, afkomstig uit Zuid-Somalië, verzocht om asiel vanwege bedreiging door Al-Shabaab. De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardige herkomst, gebaseerd op een taalanalyse van TOELT die aangaf dat eiser het Noord-Somalisch sprak, niet het Zuid-Somalisch.

De rechtbank vernietigde eerder een besluit wegens onvoldoende vergewisplicht, waarna de minister een nieuwe afwijzing uitvaardigde met een nadere toelichting van de linguïst. Eiser voerde aan dat hij ook Zuid-Somalisch spreekt en dat de minister niet aan de uitspraak had voldaan.

De rechtbank oordeelde dat de minister zich voldoende had vergewist van de bruikbaarheid van de taalanalyse en dat eiser zijn stellingen onvoldoende had onderbouwd. De afwijzing bleef daarom in stand en het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ongeloofwaardige herkomst.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61011

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N.D. Schraa),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven
.De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de herkomst van eiser ongeloofwaardig is. De minister heeft zich daarbij mogen baseren op de uitkomst van de taalanalyse van Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (TOELT). Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 17 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag op 31 maart 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser is in beroep gegaan tegen dit besluit. De rechtbank heeft dit beroep op 31 oktober 2025 gegrond verklaard en het besluit vernietigd. [1] De minister heeft vervolgens met het bestreden besluit van 11 december 2025 de asielaanvraag opnieuw afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M.F. van den Brink, als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is afkomstig uit het dorp [naam dorp] in Zuid-Somalië. Zijn vader is door Al-Shabaab vermoord waarbij eiser is mishandeld. Een paar maanden later is eiser gevraagd om zich aan te sluiten bij Al-Shabaab, waarna eiser is gevlucht naar Nederland. Bij terugkeer vreest eiser om door Al-Shabaab vermoord te worden.
Eerdere procedure
4. Bij uitspraak van 31 oktober 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 31 maart 2025 onzorgvuldig tot stand was gekomen, omdat de minister zich onvoldoende ervan had vergewist dat de uitkomst van de taalanalyse bruikbaar was voor de beoordeling van de herkomst van eiser. [2]
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • problemen met Al-Shabaab.
5.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet met documenten heeft onderbouwd, maar dat hij uitgaat van de gegevens die eiser zelf daarover heeft opgegeven. Ten aanzien van de herkomst uit [naam dorp] stelt de minister dat eiser dit ook niet met documenten heeft onderbouwd. De minister heeft daarom verder beoordeeld of de herkomst alsnog geloofwaardig is. De minister heeft daartoe eiser in de gelegenheid gesteld een taalanalyse bij TOELT te ondergaan. Naar aanleiding van de uitspraak van 31 oktober 2025 heeft de minister de linguïst van TOELT verzocht om te reageren op de zienswijze van eiser en de uitspraak van de rechtbank. Volgens de minister is de herkomst van eiser niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en eiser op grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. [3] Omdat de herkomst ongeloofwaardig is, acht de minister ook de gestelde problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag moet worden afgewezen.
Mocht de minister de herkomst van eiser ongeloofwaardig achten?
6. Eiser betoogt dat de minister zijn herkomst ten onrechte ongeloofwaardig acht. Hij erkent dat hij tijdens de taalanalyse weliswaar uitsluitend het Noord-Somalisch heeft gesproken, maar voert aan dat hieruit niet volgt dat hij niet afkomstig kan zijn uit Zuid-Somalië. Volgens eiser beheerst hij zowel het Noord- als het Zuid-Somalisch. Hij voert aan dat hij tijdens de taalanalyse heeft gesproken zoals hij dat normaal doet, namelijk met het noordelijk accent van zijn moeder en oma. Volgens eiser is daarbij niet onderzocht of hij ook het Zuid-Somalisch spreekt. Daarnaast voert eiser aan dat de rechtbank in de uitspraak van 31 oktober 2025 heeft overwogen dat de taalanalist moet worden geraadpleegd, terwijl de minister de linguïst heeft geraadpleegd. Volgens eiser heeft de minister daarmee niet voldaan aan de uitspraak van de rechtbank.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn identiteit, nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. De rechtbank stelt vervolgens vast dat uit het besluit van 31 maart 2025 blijkt dat bij de minister, op grond van de verklaringen van eiser, twijfel is ontstaan over zijn gestelde herkomst. Dat is door partijen in deze procedure ook niet bestreden. Vervolgens heeft de minister, in het kader van de samenwerkingsplicht, eiser in de gelegenheid gesteld om zijn herkomst nader te onderbouwen door middel van een taalanalyse. Uit deze taalanalyse volgt dat eisers spraak niet overeenkomt met het Somalisch zoals dat gangbaar is in Zuid-Somalië, maar met het Somalisch zoals dat in Noord-Somalië wordt gesproken.
6.2.
Zoals onder 5.1 uiteengezet, heeft de minister naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 31 oktober 2025 de linguïst van TOELT verzocht te reageren op de zienswijze van eiser en op die uitspraak van de rechtbank. De linguïst heeft op 7 november 2025 toegelicht dat het, gelet op het taalgebruik van eiser, niet aannemelijk is dat eiser langdurig in Zuid-Somalië heeft verbleven. Daarbij heeft de linguïst uiteengezet dat van iemand die stelt jarenlang in [naam dorp] te hebben gewoond, verwacht mag worden dat hij het lokaal gangbare dialect actief beheerst. Het ligt volgens de linguïst voor de hand dat eiser het dialect overneemt van personen in zijn directe leefomgeving, met name leeftijdsgenoten. Tegen die achtergrond acht de linguïst het niet aannemelijk dat eiser uitsluitend het dialect van zijn moeder en oma spreekt. De linguïst komt tot de conclusie dat eiser de gerezen twijfel over zijn herkomst met de taalanalyse niet heeft weggenomen.
6.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich met de nadere toelichting van de linguïst voldoende ervan heeft vergewist dat de taalanalyse bruikbaar is voor de beoordeling van eisers gestelde herkomst. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat de minister in beginsel mag afgaan op een deskundigenadvies, mits dit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering inzichtelijk is en de conclusies daarop aansluiten. [4] De linguïst is in zijn toelichting, zoals uiteengezet onder 6.2, inhoudelijk en kenbaar ingegaan op de zienswijze van eiser en de uitspraak van de rechtbank van 31 oktober 2025. Daarmee heeft de linguïst de taalanalyse nader inzichtelijk gemaakt en de daarop gebaseerde conclusies verduidelijkt. Dat de minister zich daarbij heeft gewend tot een linguïst en niet tot de oorspronkelijke taalanalist, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank acht in dit verband doorslaggevend dat de minister zich, mede in het licht van deze nadere toelichting, ervan heeft vergewist dat de taalanalyse zorgvuldig tot stand is gekomen, de redenering inzichtelijk is en de conclusies daarop aansluiten, zodat de taalanalyse aan de besluitvorming ten grondslag kon worden gelegd.
6.4.
Gelet op de uitkomst van de taalanalyse en de nadere toelichting van de linguïst heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de herkomst van eiser ongeloofwaardig is. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat eiser geen contra-expertise heeft overgelegd en zijn stelling dat hij naast Noord-Somalisch ook Zuid-Somalisch spreekt, niet nader heeft onderbouwd. Dat eiser tijdens de taalanalyse niet expliciet is gevraagd om Zuid-Somalisch te spreken, leidt niet tot een ander oordeel. Van eiser mocht worden verwacht dat hij, wanneer hem wordt gevraagd te spreken zoals hij normaal doet, blijk geeft van zijn gestelde taalvaardigheid. Indien eiser wil aantonen dat hij ook het Zuid-Somalisch beheerst, ligt het op zijn weg om dit nader te onderbouwen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20503.
2.Rechtbank Den Haag, zp. Arnhem, 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20503, r.o. 11-12.
3.Zie artikel 31, zesde lid, onder c en e, van de Vw 2000.
4.Zie onder andere ABRvS 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:197 en 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:490.