ECLI:NL:RBDHA:2026:10884
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Gegrond beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning wegens mvv-vereiste bij Turkse onderdaan
Eiser, een in Nederland geboren Turkse onderdaan, verzocht om een verblijfsvergunning om bij zijn partner (referente) te verblijven. Verweerder wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet vrijstellen van het mvv-vereiste. De rechtbank oordeelde eerder dat verweerder eiser onvoldoende had gehoord over zijn persoonlijke situatie.
In het bestreden besluit bleef verweerder bij de afwijzing, stellende dat het mvv-vereiste niet onredelijk was en niet in strijd met het Turks Associatierecht of het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Eiser voerde aan dat hij vrijstelling moest krijgen op grond van het Associatierecht, het evenredigheidsbeginsel, het recht op gezinsleven en dat het bezwaargehoor onzorgvuldig was verlopen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder het mvv-vereiste terecht als zelfstandige weigeringsgrond mocht toepassen en dat eiser geen rechten aan het Associatierecht kon ontlenen. Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom in het specifieke geval van eiser geen sprake was van bijzondere, individuele omstandigheden die het onevenredig bezwarend maken om een mvv te verlangen, ondanks dat eiser aan alle materiële vereisten zou voldoen.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van eiser.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.