ECLI:NL:RBDHA:2026:10884

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
NL25.54958 en NL25.54960
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:84 AwbArt. 8 EVRMArt. 13 Besluit 1/80Art. 7 Besluit 1/80Art. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning wegens mvv-vereiste bij Turkse onderdaan

Eiser, een in Nederland geboren Turkse onderdaan, verzocht om een verblijfsvergunning om bij zijn partner (referente) te verblijven. Verweerder wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet vrijstellen van het mvv-vereiste. De rechtbank oordeelde eerder dat verweerder eiser onvoldoende had gehoord over zijn persoonlijke situatie.

In het bestreden besluit bleef verweerder bij de afwijzing, stellende dat het mvv-vereiste niet onredelijk was en niet in strijd met het Turks Associatierecht of het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Eiser voerde aan dat hij vrijstelling moest krijgen op grond van het Associatierecht, het evenredigheidsbeginsel, het recht op gezinsleven en dat het bezwaargehoor onzorgvuldig was verlopen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder het mvv-vereiste terecht als zelfstandige weigeringsgrond mocht toepassen en dat eiser geen rechten aan het Associatierecht kon ontlenen. Wel stelde de rechtbank vast dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom in het specifieke geval van eiser geen sprake was van bijzondere, individuele omstandigheden die het onevenredig bezwarend maken om een mvv te verlangen, ondanks dat eiser aan alle materiële vereisten zou voldoen.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening moet worden gehouden met deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.54958 en NL25.54960
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[naam 1] , [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 11 juli 2024 afgewezen. Met het besluit van 18 december 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Bij mondelinge uitspraak van 20 mei 2025 heeft deze rechtbank het besluit van 18 december 2024 vernietigd. [1] Met het bestreden besluit van 9 november 2025 is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de partner van eiser [naam 2] (referente), de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning om bij referente te verblijven en heeft verzocht om het aan hem opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod op te heffen. Referente heeft de Nederlandse en Turkse nationaliteit. Eiser is geboren in Nederland. Eisers ouders zijn voor zijn geboorte vanuit Turkije naar Nederland gekomen en hebben hier samen met eiser zonder geldige verblijfsvergunning verbleven. Toen eiser minderjarig was, hebben eisers ouders meerdere aanvragen voor een verblijfsvergunning ingediend die zijn afgewezen.
2.1.
Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 18 december 2024 afgewezen omdat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en hij niet wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste.
2.2.
Bij uitspraak van 20 mei 2025 heeft deze rechtbank geoordeeld dat verweerder onvoldoende in de besluitvorming heeft betrokken dat eiser geboren en getogen is in Nederland, ondertussen 24 jaar oud is, zijn hele leven in Nederland heeft gewoond en hier onderwijs heeft gevolgd, een privéleven en sociaal netwerk in Nederland heeft opgebouwd en op het punt staat te trouwen in Nederland. Volgens de rechtbank had verweerder eiser in dit kader moeten horen zodat eiser de noodzakelijke inzichten in zijn situatie had kunnen bieden.
2.3.
Met het bestreden besluit is verweerder, nadat hij eiser en referent had gehoord, bij de afwijzing van eisers aanvraag gebleven, omdat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet wordt vrijgesteld van het mvv-vereiste. Allereerst is het volgens verweerder niet onredelijk hard om van eiser een mvv te verlangen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat er sprake is van bijzondere, persoonlijke feiten en omstandigheden. Verder wordt eiser niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van het Turks Associatierecht [2] . Volgens verweerder is het alleen tegenwerpen van het mvv-vereiste niet in strijd met het Associatierecht en heeft eiser geen bijzondere, individuele omstandigheden aangevoerd. Daarnaast is de afwijzing van eisers aanvraag niet in strijd met artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn [3] en het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Verder is uitzetting van eiser niet in strijd met familieleven en privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [4] . Ten slotte ziet verweerder geen aanleiding om de aanvraag in te willigen wegens bijzondere omstandigheden. [5]
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst voert eiser aan dat hij moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van het Turks Associatierecht. Verweerder mag het mvv-vereiste namelijk niet tegenwerpen als zelfstandige weigeringsgrond, omdat dit in strijd is met de standstill-bepaling [6] . Ook is het besluit een schending van de rechten van eiser en referente onder het Associatierecht. Ten tweede is het bestreden besluit in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel en heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld of het onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste als daarnaast aan alle materiële vereisten zou worden voldaan. Volgens eiser is er sprake van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor eiser zou moeten worden vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Ten derde is het vasthouden aan het mvv-vereiste in strijd met het recht op gezinsleven [7] tussen eiser en referente. Ten vierde is het gehoor in bezwaar onzorgvuldig verlopen. Ten slotte betoogt eiser dat het terugkeerbesluit en inreisverbod moeten worden opgeheven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank geeft eiser in deze zaak gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Turks Associatierecht
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet hoefde vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van het Turks Associatierecht. Allereerst heeft verweerder het mvv-vereiste mogen tegenwerpen als zelfstandige weigeringsgrond. Uit de rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat het toepassen van het mvv-vereiste bij aanvragen van Turkse onderdanen niet in strijd is met het Associatierecht, [8] zolang dat niet verder gaat dan noodzakelijk en het mogelijk is om rekening te houden met bijzondere individuele omstandigheden.
5.1.
Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met eisers rechten onder het Associatierecht. Eiser kan namelijk geen rechten ontlenen aan artikel 13 van Pro het Besluit 1/80, dan wel artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol [9] , omdat hij niet binnen de reikwijdte van dit artikel valt. Eiser heeft geen verblijfsrecht als gezinslid van een Turkse werknemer op grond van artikel 7 van Pro het Besluit 1/80. Hoewel referente naast de Nederlandse ook de Turkse nationaliteit heeft en werknemer is in Nederland, heeft eiser niet de in artikel 7 van Pro het Besluit 1/80 vereiste toestemming gekregen om zich bij haar te voegen. Verder is niet gebleken dat eiser is aan te merken als Turkse werknemer dan wel Turkse zelfstandige.
5.2.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat het bestreden besluit in strijd is met referentes rechten onder het Associatierecht. Referente kan weliswaar rechten ontlenen aan het Associatierecht, maar volgens de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat niet is gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat referente wordt gedwongen om Nederland te verlaten als eiser naar Turkije moet om een mvv aan te vragen.
Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel
6. Uit het arrest Yön volgt dat het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel vereist dat de regels voor het vasthouden aan het mvv-vereiste niet verder gaan dan noodzakelijk is om het daarmee nagestreefde doel te verwezenlijken. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraak van 29 maart 2019 uiteengezet hoe de toets aan bijzondere, individuele omstandigheden moet worden toegepast. [10] Verweerder moet bij die toets eerst uitgaan van de veronderstelling dat aan alle materiële voorwaarden voor de vergunning wordt voldaan. Vervolgens moet verweerder toetsen of de aangevoerde bijzondere omstandigheden, in combinatie met het voldoen aan de voorwaarden, maken dat het onevenredig is om vast te houden aan het mvv-vereiste. Als dat het geval is, dan moet verweerder vervolgens toetsen aan de inhoudelijke voorwaarden voor de vergunning. Hieruit volgt dat de bijzondere individuele omstandigheden niet al op zichzelf de hoge lat van de onevenredigheid behoeven te halen, maar slechts zwaarwegend genoeg moeten zijn om – in samenhang met de aanname dat wordt voldaan aan de voorwaarden – tot onevenredigheid te concluderen. De lat waaraan de bijzondere omstandigheden moeten voldoen ligt bij deze toets dus lager dan dat zij op zichzelf al moeten leiden tot onevenredigheid.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in het specifieke geval van eiser geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor het onevenredig bezwarend zou zijn om een mvv van eiser te verlangen, als eiser aan alle materiële vereisten zou voldoen.
6.2.
De rechtbank heeft, zoals hiervoor onder 2.2. al is vermeld, in de uitspraak van
20 mei 2025 geoordeeld dat het op de weg van verweerder had gelegen om eiser te horen over de aard en omstandigheden van de zaak en die beter in de besluitvorming te betrekken. Onder meer benadrukte de rechtbank de omstandigheden dat eiser is Nederland is geboren en getogen en dat hij hier zijn hele leven heeft gewoond, onderwijs heeft gevolgd, een privéleven en sociaal netwerk heeft opgebouwd en op het punt staat hier te trouwen.
6.3.
Als bijzondere omstandigheden heeft eiser, zowel in de vorige als in deze procedure, naast de hiervoor door de rechtbank al benoemde omstandigheden, onder meer nog aangevoerd dat hij nooit in Turkije is geweest, slechts gebrekkig Turks spreekt en afgezien van zijn nationaliteit geen banden heeft met Turkije. Eiser heeft in de huidige procedure nog als bijzondere omstandigheid aangevoerd wat de gevolgen zijn als hij naar Turkije moet om daar een mvv aan te vragen. Eiser zal immers minimaal drie maanden in Turkije moeten verblijven in afwachting van zijn procedure, zonder garanties over de duur, en hij zou onderdak moeten vinden. Ook heeft eiser aangevoerd dat het vasthouden aan het mvv-vereiste niet kan worden gerechtvaardigd door een algemeen belang.
6.4.
Verweerder heeft in het bestreden besluit en ter zitting al deze omstandigheden erkend maar zich op het standpunt gesteld dat deze niet kunnen worden aangemerkt als bijzondere, individuele omstandigheden waardoor het onevenredig bezwarend is om van eiser te verlangen dat hij naar Turkije gaat om daar een mvv aan te vragen. Zo heeft verweerder erop gewezen dat eiser niet verschilt van andere mensen die ook in hun land van herkomst een mvv aanvragen terwijl hun partner al in Nederland verblijft, het om een tijdelijke situatie gaat, en dat eiser en referente contact kunnen onderhouden op afstand. Verder heeft eiser volgens verweerder niet aangetoond dat hij geen sociaal vangnet heeft in Turkije en is niet gebleken dat eisers familie of vrienden vanuit Nederland niet kunnen helpen. Verweerder heeft in het bestreden besluit en tijdens de zitting toegelicht wat het doel van de regels stellen door middel van het mvv-vereiste is, namelijk om niet voor een voldongen feit te komen staan en te voorkomen dat vreemdelingen die niet aan de voorwaarden voor langdurig verblijf voldoen naar Nederland komen.
6.5.
De rechtbank overweegt allereerst dat verweerder niet kenbaar heeft gemotiveerd of het vasthouden aan het mvv-vereiste onevenredig is in de situatie dat eiser aan alle materiële vereisten zou voldoen. Verder gaat het door verweerder aangevoerde belang van het stellen van het mvv-vereiste zodat mensen hun verblijf regelen voordat zij Nederland inreizen, door de specifieke omstandigheden van dit geval volgens de rechtbank niet op. Eiser is namelijk in Nederland geboren, heeft zijn hele leven hier gewoond en is Nederland dus niet ingereisd. Eiser is zelfs, dat is tussen partijen niet in geschil, nog nooit in Turkije geweest. Ook volgt de rechtbank verweerder niet zijn stelling dat aan het mvv-vereiste wordt vastgehouden om precedentwerking te voorkomen, omdat verweerder de gestelde precedentwerking onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank begrijpt dat de enige precedentwerking die hier vanuit zou kunnen gaan is, dat het mvv-vereiste niet wordt tegengeworpen als er sprake is van een vergelijkbare situatie. Verweerder heeft alleen gesteld dat hij niet wil dat het voor iemand op wie een vertrekverplichting rust, loont om in Nederland te blijven. Dit vindt de rechtbank onvoldoende, zeker in het licht van verweerders stelling tijdens de zitting dat er intern overleg heeft plaatsgevonden en dat verweerder geen precedent kent. Bovendien heeft verweerder ook niet gewezen op vergelijkbare denkbeeldige situaties.
Overige beroepsgronden
7. Nu het beroep al gegrond wordt verklaard vanwege het vastgestelde motiveringsgrebrek, behoeven de overige beroepsgronden volgens de rechtbank geen verdere bespreking.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder moet een nieuw besluit nemen op het bezwaar van eiser en daarbij rekening houden met deze uitspraak.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [11] .
10. Omdat het beroep gegrond is, veroordelen de rechtbank en de voorzieningenrechter verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,-. [12]
11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Elzenaar, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met zaaknummers NL24.51384 en NL24.51385.
2.Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije (Besluit 1/80).
3.Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Op grond van artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6.Artikel 13 van Pro het Besluit 1/80.
7.In de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
8.Waaronder de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2935 en van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3171.
9.Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara ondertekende Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije.
10.Uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1001. Zie ook de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 18 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16963.
11.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.
12.1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 934,-, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.