Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10874

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
AWB 26/1938
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 17 DublinverordeningArtikel 3 EVRMArtikel 4 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk

Eiser, met de Nigeriaanse nationaliteit, heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat hij geen advocaat had, geen tolk was geregeld, delen van het dossier onleesbaar waren en dat overdracht naar Frankrijk zou leiden tot schending van zijn fundamentele mensenrechten vanwege slechte opvang en medische zorg.

De rechtbank oordeelt dat eiser wel een advocaat had, maar dat deze niet bereid was het beroep te voeren. De klacht hierover is door verweerder doorgezet naar de Raad voor Rechtsbijstand. De onleesbare pagina’s zijn niet relevant voor de beoordeling en het is niet de taak van de rechtbank een tolk te regelen. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel blijft van toepassing op Frankrijk; er is geen aannemelijk bewijs dat overdracht leidt tot een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.

De rechtbank stelt dat eiser onvoldoende bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd om de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 Dublinverordening Pro toe te passen. De medische en psychische klachten zijn niet voldoende om een uitzondering te rechtvaardigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit van verweerder blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/1938

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Amakodo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Op 17 april heeft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening getroffen met de strekking dat eiser niet mag worden overgedragen aan Frankrijk totdat op dit beroep is beslist. [1]
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 april 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1985 te zijn geboren. Eiser heeft een asielaanvraag ingediend die niet in behandeling is genomen door verweerder, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst heeft hij geen advocaat. De rechtbank heeft geen tolk geregeld voor de zitting, ondanks eisers verzoek. Ook is een aantal pagina’s van het dossier niet leesbaar. Eiser loopt daarnaast gevaar in Frankrijk. Een overdracht naar Frankrijk zou een schending van zijn fundamentele mensenrechten betekenen. Eiser heeft medische problemen die in Frankrijk zijn begonnen en hij is daar niet voor behandeld. Een Nederlandse arts heeft bij hem PTSS vastgesteld. Eiser is dakloos geweest in Frankrijk en is hierdoor al zijn bewijsstukken kwijtgeraakt. Ook stelt eiser dat Frankrijk geen opvang, huisvesting, medische zorg of faciliteiten biedt voor asielzoekers en terugkeerders op grond van de Dublinverordening. Tot slot stelt eiser dat hij op dit moment in behandeling is, Nederlandse les volgt en vrijwilligerswerk doet. Hij doet daarom een beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Procedureel
4. De punten die eiser heeft aangevoerd over zijn advocaat, de slecht leesbare pagina’s in het dossier en de tolk, maken naar het oordeel van de rechtbank niet dat het beroep gegrond is. Uit het dossier blijkt dat eiser een advocaat heeft gehad, maar dat zijn advocaat niet bereid was bij de rechtbank in beroep te gaan in deze zaak. Eiser heeft daarover bij verweerder geklaagd. Verweerder heeft deze klacht doorgezet naar de Raad voor Rechtsbijstand. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank juist gehandeld. De rechtbank constateert ook dat inderdaad een aantal pagina’s in de door verweerder aangeleverde stukken niet goed leesbaar is. De rechtbank heeft geen andere kopieën van deze pagina’s opgevraagd, omdat de pagina’s voor de beoordeling van dit geschil niet van belang zijn. Bovendien gaat het om stukken van de oud-gemachtigde van eiser. De stukken zouden daarom bekend zijn bij eiser. Zoals de rechtbank voor de zitting heeft uitgelegd, is het niet de verantwoordelijkheid van de rechtbank om een tolk te regelen. Eiser hoefde ook geen beëdigd tolk te regelen, maar mocht ook bijvoorbeeld een kennis meenemen die voor hem kon vertalen.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. De rechtbank stelt voorop dat uit rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat ten aanzien van Frankijk nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel [2] . Hoewel er wel kan worden aangenomen dat sprake was van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in Frankijk, is volgens de Afdeling niet gebleken dat die problemen dusdanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Frankrijk op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest. Het beroep van eiser op het meest recente AIDA-rapport juni 2025 maakt dat niet anders. De Afdeling heeft bij uitspraak [3] van 31 juli 2025 namelijk geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst dan de landeninformatie die de Afdeling bij de uitspraak van 30 augustus 2024 [4] heeft betrokken. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden om hier anders over te oordelen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij na overdracht geen opvang zal krijgen. De gestelde eerdere ervaring van eiser vindt de rechtbank in het licht van de landeninformatie onvoldoende om dit aan te nemen. Als eiser toch problemen ervaart met de opvangvoorzieningen, dan ligt het op zijn weg om daarover de Franse autoriteiten te benaderen. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Franse autoriteiten voor eiser niet mogelijk is of dat dit bij voorbaat zinloos is.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordering
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening (‘de discretionaire bevoegdheid’) moet worden bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eiser toch in Nederland te behandelen. Verweerder maakt terughoudend gebruik van de discretionaire bevoegdheid. [5]
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de discretionaire bevoegdheid te gebruiken. Voor zover eiser betoogt dat de door hem naar voren gebrachte problemen met betrekking tot de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Frankrijk ook moeten worden meegenomen in dit kader, verwijst de rechtbank naar de Afdelingsuitspraak van 25 februari 2025. [6] Daarin staat dat als verweerder de omstandigheden waarop de vreemdeling zich heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. De gestelde medische en psychische klachten van eiser acht de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van een bijzondere, individuele omstandigheid.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en dat het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen, in stand blijft.
7.1.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroepEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschriftsturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegdwaarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet wordeningediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indienerde behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan deindiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad vanState vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer AWB 26/1940.
2.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623 en 7 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3724.
5.Dit volgt uit paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).