Uitspraak
Rechtbank den haag
1.STICHTING STIKSTOF CLAIM te Lelystad,
[eiser sub 2] V.O.F.te [vestigingsplaats] ,
[eiser sub 3], tevens h.o.d.n.
[handelsnaam]te [woonplaats] ,
1.De procedure
2.Relevante regelgeving en beleid
(ii) verdere verontreiniging van dien aard te voorkomen. Om die doelen te bereiken, verplicht de Nitraatrichtlijn de lidstaten een aantal maatregelen te nemen. Zo zijn de lidstaten verplicht de wateren te identificeren die door nitraatverontreiniging worden getroffen en dreigen te worden getroffen. Daarnaast moeten lidstaten de stukken land die afwateren in deze wateren en die tot verontreiniging bijdragen aanwijzen als ‘kwetsbare zones’ (artikel 3 lid 1 en Pro 2 Nitraatrichtlijn). Bijlage I van de Nitraatrichtlijn bevat criteria aan de hand waarvan de kwetsbare zones worden vastgesteld.
Artikel 24
grondwaterkwaliteit(artikel 24 lid 3 sub Pro a) is de volgende methodiek gehanteerd, die heeft geresulteerd in de aanwijzing van NV-gebieden op bijlage I van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (hierna ook: Ubm):
Grondwater: voor het schaalniveau van de aanwijzing, de criteria voor de aanwijzing en de analyse van de data ten behoeve van de aanwijzing vanuit grondwater is het advies van Commissie Deskundigen Meststoffenwet gevolgd (…).
Er wordt gebruik gemaakt van de meetgegevens van het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (verder LMM), omdat dit zich richt op de verontreiniging van nitraat afkomstig van agrarische bronnen en het LMM gebruikt wordt voor de vierjaarlijkse rapportage over de Nitraatrichtlijn (Kamerstuk 33037, nr. 378).
Voor de aanwijzing van NV-gebieden wordt aangesloten bij de gebiedsindeling van het LMM: drie zandregio’s (noord, midden en zuid) en de lössregio.
Een gebied wordt aangewezen als de gemiddelde nitraatconcentratie over de laatste zes meetjaren boven de 50 mg/l ligt of als het boven de 37,5 mg/l nitraat ligt en er sprake is van een stijgende trend. Daarbij moet de nitraatconcentratie een stijgende tendens over de periode 2007 - 2021 laten zien (Figuur B1.1).
Dit resulteert in de aanwijzing van de zand- en lössgronden in de provincies Overijssel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant en Limburg. Dit is opgenomen in artikel 24, derde lid onder a van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.” [4]
oppervlaktewaterkwaliteitheeft plaatsgevonden in drie stappen. Allereerst is het grondgebied verdeeld in zogenoemde toestroomgebieden (stap 1), waarna per toestroomgebied is vastgesteld of het bijbehorende KRW-oppervlaktewaterlichaam is verontreinigd met stikstof en/of fosfor (stap 2). Vervolgens is in stap 3 beoordeeld of een in stap 2 aangetroffen verontreiniging voor meer dan 19% is toe te schrijven aan de landbouw:
Oppervlaktewater
1 januari 2025 20 procentpunten lager zijn dan de in de bijlage bij het 7e Nitraatactieprogramma gepubliceerde percentages. Deze korting op de stikstofgebruiksnorm in NV-gebieden is vastgelegd in artikel 28 lid 1 aanhef Pro en onder g Urm.
3.Feiten
Artikel 1 - Definities
Artikel 3 - Doel
De stichting heeft als doel:
het behartigen van de belangen van de Belanghebbenden op het gebied van de Milieumaatregelen en de gevolgen daarvan;
het behartigen van de belangen van agrariërs.
De stichting tracht haar doel onder meer te bereiken door:
het informeren van de Belanghebbenden over de Milieumaatregelen;
het organiseren van de Belanghebbenden;
het (doen) verrichten van onderzoek naar de gevolgen van de Milieumaatregelen;
het (doen) inventariseren van de schade van de Belanghebbenden als gevolg van de Milieumatregelen en het (ondersteunen bij) het indienen van vorderingen die strekken tot compensatie als hiervoor bedoeld en/of anderszins in het belang zijn van de Belanghebbenden,
Artikel 10 – Aangeslotenen
De Stichting kent aangeslotenen. Aangeslotenen zijn natuurlijke of rechtspersonen, die behoren tot de Belanghebbenden en die door het Bestuur als zodanig zijn toegelaten.
Het Bestuur houdt een register bij waarin de aangeslotenen staan vermeld.”
In de voorgaande bronnenanalyse was de nutriëntenbelasting berekend over de jaren 2020 tot en met 2013. De landbouwbijdrage zoals nu berekend voor de jaren 2017 tot en met 2022 is landelijk gemiddeld voor stikstof ruim 10% lager dan in de voorgaande landelijke bronnenanalyse.”
Op 18 december jl. is de motie Grinwis c.s. aangenomen die het kabinet oproept om geen onomkeerbare stappen te zetten tot het aantreden van het nieuwe kabinet en tot die tijd door te gaan met de reeds geïmplementeerde maatregelen uit het 7e actieprogramma, inclusief addendum. Met deze brief informeren wij uw Kamer dat de motie Grinwis c.s. ertoe heeft geleid dat het kabinet heeft besloten om het voorgenomen 8e actieprogramma (8e AP) nu niet vast te stellen. Het vaststellen van het 8e AP wordt overgelaten aan een nieuw kabinet. De Europese Commissie zal in kennis worden gesteld van dit besluit.
Following up on our correspondence of this summer regarding your request for a new derogation under the Nitrates Directive to spread manure above the application limit, I must be frank: our thorough assessment of the technical data, as well as the exchanges we have had over the past months, lead us to conclude that the conditions for such a derogation are not met.
Op 19 december 2025 heb ik uw Kamer geïnformeerd over het besluit van het kabinet om het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn (8e AP) niet vast te stellen en de besluitvorming daarover over te laten aan het volgende kabinet. Vervolgens heb ik uw Kamer op 23 december 2025 geïnformeerd over de reactie van de Europese Commissie (EC) op het derogatieverzoek van Nederland. Met deze brief wil ik meer duidelijkheid bieden aan agrariërs over de regels die vanaf 1 januari 2026 gelden nu er geen nieuwe derogatiebeschikking is en geen 8e AP is vastgesteld.
Aanwijzing met nutriënten verontreinigde gebieden (NV-gebieden)
4.Het geschil
5.De beoordeling van het geschil
4.6. Tussen partijen is niet in geschil dat de Staat om gebruik te kunnen maken van de voordelen van de Derogatiebeschikking verplicht was om met ingang van 1 januari 2024 NV-gebieden aan te wijzen. Hiertoe diende de Staat gebieden (water en bijbehorend toestroomgebied) waarin het water is vervuild met nutriënten als NV-gebied aan te wijzen, indien de landbouwbijdrage aan die vervuiling meer dan 19% is. (…)
de landbouwbijdrage zoals nu berekend voor de jaren 2017 tot en met 2022 is landelijk gemiddeld voor stikstof ruim 10% lager dan in de voorgaande landelijke bronnenanalyse.” Daaruit blijkt volgens SSC onomstotelijk dat de landbouwbijdrage significant lager is, waaraan zij desgevraagd heeft toegevoegd: dan 19%. Ook wijst SSC in dit verband op een in haar opdracht uitgevoerde
quickscangetiteld ‘Waterkwaliteit gegevens in het kader van KRW in meerdere waterschappen in Nederland. Gemiddeld nitraat- en fosfaatgehalte tussen 2024.’ (hierna: de
quickscan). Daaruit kan volgens SSC worden afgeleid dat de waterkwaliteit in de geselecteerde water- en hoogheemraadschappen overwegend als goed kan worden gekarakteriseerd. Dit alles maakt dat het niet gerechtvaardigd is om de (huidige) aanwijzing van NV-gebieden te handhaven en die aanwijzing is daarom onmiskenbaar onverbindend, aldus SSC. Daarnaast stelt SSC dat de Staat in strijd handelt met het voorzorgsbeginsel uit artikel 191 lid 3 VWEU Pro, door NV-gebieden aan te houden terwijl de uitkomsten van de recente landelijke bronnenanalyse en de
quickscanaantonen dat het nemen van (preventieve) maatregelen niet meer nodig is. Tot slot handelt de Staat volgens SSC in strijd met artikel 5 lid 2 van Pro het Verdrag van Aarhus door milieu-informatie niet op een transparante en doeltreffende beschikbaar te stellen aan betrokkenen.
quickscan, welke onderzoeken beide betrekking hebben op de oppervlaktewaterkwaliteit en
nietop de grondwaterkwaliteit. Voor wat betreft de
quickscanblijkt dit uit pagina 1, onder “Introductie en achtergrond” waar staat: “
Op verzoek van de Stichting Stikstof Claim (SSC) heeft ir. [de naam] , fysisch-chemisch ingenieur (TU Delft, afstudeerrichting Scheikundige Technologie) en verbonden aan Food4Innovations Holding B.V., een feitelijke inventarisatie uitgevoerd van de oppervlaktewaterkwaliteit in de omgeving van de betreffende boerderij.”. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of het aanwijzen van de NV-gebieden in verband met de oppervlaktewaterkwaliteit (als bedoeld in artikel 24 lid 3 onder Pro b Urm en op zoals opgenomen in bijlage Aca van de Urm) is gebaseerd op achterhaalde informatie en daarom onmiskenbaar onverbindend is, zoals SSC stelt. Voor zover de vordering van SSC ook ziet op de buitenwerkingstelling van de aanwijzing van NV-gebieden vanwege de grondwaterkwaliteit (als bedoeld in artikel 24 lid 3 onder Pro a Urm en zoals opgenomen in bijlage I van de Ubm), geldt dat haar vordering op dat punt niet toewijsbaar is. SSC heeft namelijk in het geheel niet onderbouwd dat de aanwijzing van de NV-gebieden in het kader van de grondwaterkwaliteit onmiskenbaar onverbindend zou zijn.
quickscanniet zonder meer kan worden aangenomen dat de bijdrage van de landbouw aan de verontreiniging van het oppervlaktewater inmiddels (significant) lager is dan 19%, zoals SSC stelt. Daarvoor is het volgende redengevend.
quickscankan dat niet zonder meer worden afgeleid. Deze
quickscanbevat een overzicht van gemiddelde concentraties van fosfaat en nitraat uit het jaar 2024 met betrekking tot een beperkt aantal water- en hoogheemraadschappen. SSC heeft ter zitting gesteld dat uit deze
quickscanvolgt dat de waterkwaliteit in de geselecteerde water- en hoogheemraadschappen overwegend als goed kan worden gekarakteriseerd en dat nog veel meer gebieden dan degene die uit de nieuwe(re) bronnenanalyse volgen, een betere waterkwaliteit kennen. Echter heeft de Staat die stelling gemotiveerd weersproken aan de hand van de meetgegevens in het rapport. De Staat heeft erop gewezen dat in het rapport weliswaar wordt gesuggereerd dat het nitraatgehalte in vijf waterschappen op norm is, maar dat daarbij is uitgegaan van de norm van 50 mg/l die geldt voor grondwater. Voor oppervlaktewater geldt volgens de Staat óók de norm dat het water niet eutroof of dreigend eutroof mag worden en dat de daarvoor geldende norm ‘een goed ecologisch potentieel’ (de GEP-waarde) geldt, die in de meeste Nederlandse oppervlaktewateren tussen de 2 en 4 mg/l ligt. De metingen die zijn vermeld in de
quickscankomen volgens de Staat ruim boven dit bereik tussen 2 en 4 mg/l uit, en dat onderstreept volgens de Staat juist dat het stikstofgehalte in het Nederlandse water op veel plekken in Nederland omlaag moet. Gelet op die gemotiveerde betwisting van de Staat, en het feit dat SSC haar stellingen vervolgens niet nader heeft onderbouwd, kan ook op basis van deze
quickscanniet worden aangenomen dat de landbouwbijdrage aan de verontreiniging van het oppervlaktewater significant lager is dan 19%.
fair balance) bestaat tussen de eisen van het algemeen belang en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. Een inmenging mag geen onevenredige last (
excessive burden) op de betrokkene leggen. Hierbij is van belang dat aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid (
margin of appreciation) toekomt bij de keuzes die hem uit het oogpunt van algemeen belang nodig of gewenst voorkomen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft SSC onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de korting op het stikstofgebruik in NV-gebieden een onevenredige last op de agrariërs in deze gebieden legt. Het argument van SSC dat een overgangsregeling ontbreekt en dat bij haar achterban grote onduidelijkheid heerst over hoeveel mest nu mag worden uitgereden, kan haar niet baten. Voor de korting op de stikstofgebruiksnorm geldt een wettelijke basis en die korting is per 1 januari 2026 onverminderd van kracht, zoals de minister in de brieven van 19 december 2025, 19 februari 2026 en 4 maart 2026 ook heeft gecommuniceerd. Verder heeft SSC aangevoerd dat haar achterban, onder wie [eiser sub 2] en [eiser sub 3] , schade ondervindt van de korting op de stikstofgebruiksnorm in NV-gebieden. Hoewel duidelijk is dat de agrariërs in NV-gebieden nadelige gevolgen ondervinden van de korting op de stikstofgebruiksnorm, heeft SSC onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een individuele en buitensporige last die maakt dat de korting achterwege dient te blijven.