Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van een duurzame relatie met zijn partner, een Unieburger. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiser niet aannemelijk zou hebben gemaakt dat sprake is van een duurzame relatie of feitelijke samenwoning van zes maanden. Na bezwaar handhaafde verweerder het besluit.
De rechtbank oordeelt dat verweerder de overgelegde bewijsstukken onvoldoende in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Foto’s, gezamenlijke bankafschriften, inschrijving op hetzelfde adres en persoonlijke omstandigheden ondersteunen de stelling van eiser. Daarnaast is de hoorplicht in bezwaar geschonden, omdat eiser bereidwillig was en nieuwe bewijsstukken aanleverde, en een hoorzitting geschikt was om twijfels weg te nemen.
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.