Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10577

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
NL25.43573
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Paragraaf 4.1, vijfde en zesde lid, C1 Vreemdelingencirculaire 2000Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard tegen afwijzing asielaanvraag uit Georgië wegens ontbreken PKV

Eiser, een Georgische nationaliteit, diende op 23 april 2025 een asielaanvraag in met het argument dat hij in Georgië werd bedreigd door een voormalige zakenpartner en diens familie na een gewelddadig conflict in 2012. Hij stelde dat hij vanwege deze bedreigingen ondergedoken was en meerdere malen werd bedreigd en dat hij vreest voor zijn veiligheid bij terugkeer.

De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat de problemen niet konden worden herleid tot een van de gronden van het Vluchtelingenverdrag en er geen aannemelijk risico op ernstige schade bij terugkeer was. De rechtbank oordeelde dat de identiteit en nationaliteit van eiser geloofwaardig zijn, maar dat de dreiging onvoldoende concreet en actueel is. Ook is niet gebleken dat eiser geen bescherming kan inroepen van de Georgische autoriteiten.

Eiser voerde aan dat de procedure onzorgvuldig was en dat de geloofwaardigheid van zijn motieven onvoldoende was meegewogen, maar de rechtbank verwierp deze stellingen. De rechtbank concludeerde dat de asielprocedure zorgvuldig is verlopen en dat het beroep ongegrond is, waardoor het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.43573

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.E.C. Thole).

Procesverloop

Bij besluit van 2 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld in Breda. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1984 en de Georgische nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 23 april 2025 een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij in Georgië geld heeft geleend om een bedrijf op te starten, maar dit geld niet tijdig heeft terugbetaald. Hierdoor zijn in 2012 problemen ontstaan met zijn zakenpartner, tevens één van de schuldeisers, [schuldeiser] . Hij heeft eiser met een mes aangevallen, waarna eiser hem met een ijzeren staaf op het hoofd heeft geslagen. [schuldeiser] is hierna invalide geworden. Eiser is na dit incident ondergedoken uit vrees voor vergelding. Eisers huis is één keer beschoten en hij is vier keer indirect bedreigd alvorens zijn vertrek uit Georgië in december 2016. In april 2017 is eiser teruggekeerd naar Georgië, waar hij tot augustus 2017 heeft verbleven. Daarna heeft eiser in diverse landen geprobeerd asiel aan te vragen, is hij door Tsjechië in 2020 uitgezet naar Georgië maar is eiser opnieuw vertrokken uit Georgië, dit keer naar Frankrijk. Uiteindelijk heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Via-via heeft hij vernomen dat [schuldeiser] en zijn familie hem nog steeds zoeken. Zo is naar hem geïnformeerd tijdens de begrafenis van zijn vader op 8 februari 2025. Eiser heeft geen hulp van de politie ingeschakeld, omdat hij denkt dat zij hem niet kunnen helpen en hij vreest bij terugkeer naar Georgië voor [schuldeiser] en zijn familie.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst worden geloofwaardig geacht. Eisers problemen met [schuldeiser] en zijn familieleden worden niet op geloofwaardigheid beoordeeld. [2] Eiser heeft geen gegronde vrees voor vervolging, omdat zijn gestelde problemen niet zijn te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Bovendien heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer het risico loopt op ernstige schade. Na terugkeer in 2017 heeft eiser enkel via via gehoord dat hij wordt bedreigd en dat is alweer bijna tien jaar geleden. Ook zijn er geen concrete aanknopingspunten dat Georgië op enig moment niet veilig was voor eiser of dat hij daar nog steeds wordt gezocht. Niet is gebleken dat het voor eiser niet mogelijk is om bescherming van de autoriteiten in te roepen. Aan eiser wordt een terugkeerbesluit opgelegd naar Georgië met een vertrektermijn van 4 weken.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan.
Er heeft geen zorgvuldige besluitvorming plaatsgevonden. De in eisers zaak gevolgde procedure met de korte termijnen en plaatsing in AC [3] [plaats] lijken op een verkapt veilig land van herkomst-procedure, terwijl Georgië niet meer als veilig land van herkomst wordt aangemerkt. Eiser betwist dat de ‘overlegstructuren qua planning’ zoals bedoeld in paragraaf C1/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) daarop zijn aangepast. Dat de huidige planning van eisers asielprocedure mogelijk is, betekent nog niet dat deze vanuit de menselijke maat en evenredigheid ook gevolgd moet worden. Ondanks dat er geen standpunt is ingenomen over de geloofwaardigheid van eisers asielmotieven, had het kenbaar betrekken hiervan kunnen bijdragen aan het gewicht van de verklaringen en de zwaarte van de door eiser aangedragen elementen. Verweerder stelt ten onrechte dat niet is gebleken dat de familie van [schuldeiser] nog steeds naar eiser op zoek is. Eiser heeft met zijn verklaringen geprobeerd duidelijk te maken dat de familie van [schuldeiser] niets te zoeken had op de begrafenis van zijn vader. Verweerder heeft in dit kader onvoldoende gemotiveerd welke objectieve verifieerbare bronnen eiser had moeten aanvoeren om zijn verklaringen te ondersteunen. Verweerder heeft ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij geen bescherming van de Georgische autoriteiten heeft ingeroepen. Eisers verklaring dat hij op advies van derden geen aangifte heeft gedaan wegens de invloedrijke familie van [schuldeiser] in de onderwereld past binnen de context van de in de zienswijze aangehaalde rapportage van 24 februari 2022. Eiser loopt bij terugkeer naar Georgië een reëel risico op behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. De rechtbank volgt eisers standpunt, zoals nader toegelicht ter zitting, dat zijn recht op adequate en effectieve rechtsbijstand ten opzichte van andere vreemdelingen in spoor 4 is ontnomen vanwege zijn verblijf in het AC in [plaats] en de planning van zijn asielprocedure, niet. Eisers asielaanvraag is behandeld in spoor 4, de Algemene Asielprocedure. Niet is gebleken dat de door verweerder gehanteerde termijnen in eisers asielprocedure onzorgvuldig zijn, dan wel dat deze hebben geleid tot een onzorgvuldige asielprocedure. Eiser heeft zijn stelling dat hij in zijn belangen is geschaad niet nader onderbouwd.
5. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn asielmotieven in het midden heeft gelaten, heeft verweerder hiervoor kunnen verwijzen naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [4] , waarin is geoordeeld dat deze werkwijze in algemene zin niet leidt tot onzorgvuldige besluitvorming.
6. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat eiser zijn gestelde vrees voor [schuldeiser] en zijn familie niet aannemelijk heeft gemaakt. In dit kader heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eisers verklaringen het uitgangspunt vormen voor de beoordeling van verweerder en dat de enkele aanwezigheid van [schuldeiser] en zijn familie op de begrafenis van eisers vader onvoldoende is om de gestelde dreiging aannemelijk te achten. Verweerder heeft hierbij kunnen meewegen dat eiser heeft verklaard via-via te hebben vernomen dat hij nog steeds wordt bedreigd en dat niet is gebleken dat deze bedreigingen hem in persoon hebben bereikt. Ook heeft verweerder kunnen meewegen dat het incident met [schuldeiser] meer dan tien jaar geleden heeft plaatsgevonden, er geen concrete aanknopingspunten zijn dat eiser nog wordt gezocht door [schuldeiser] en zijn familie noch gebleken is dat hij gedurende zijn verblijf in Georgië in 2017 niet veilig was.
7. Verder heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat eiser geen bescherming kan inroepen van de Georgische autoriteiten. Hiertoe heeft verweerder terecht overwogen dat van eiser mag worden verwacht dat hij eerst zelf pogingen onderneemt om de bescherming in te roepen alvorens hij zich op het standpunt stelt dat deze bescherming niet aanwezig is. Eiser heeft niet nader onderbouwd dat [persoon] – als familielid van [schuldeiser] –in de onderwereld zit, dan wel dat hij een invloedrijk persoon zou zijn waardoor het bij voorbaat zinloos is om hulp van de Georgische autoriteiten in te schakelen. Ook heeft verweerder hierbij terecht betrokken dat uit landeninformatie niet blijkt dat het inschakelen van bescherming van de autoriteiten bij voorbaat zinloos is. Voor zover eiser ter zitting de actualiteit van de door verweerder overgelegde landeninformatie betwist, heeft eiser dit niet met nadere stukken onderbouwd.
8. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep ongegrond wordt verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 1 mei 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Paragraaf 4.1, vijfde en zesde lid, C1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Aanmeldcentrum.
4.Zie de uitspraken van 17 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2332 en ECLI:NL:RVS:2022:2333)