Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10575

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
6 mei 2026
Zaaknummer
NL22.16878
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Artikel 6 Nationaliteitswet van IvoorkustArtikel 3 EVRMVluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs dubbele nationaliteit en risico terugkeer

Eiser diende een asielaanvraag in die door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen op grond van de Ivoriaanse nationaliteit van eiser. Eiser stelde dat hij naast de Ivoriaanse ook de Guinese nationaliteit bezit, wat relevant zou zijn voor zijn asielmotieven. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende objectief bewijs heeft geleverd voor de Guinese nationaliteit en dat de minister terecht uitging van de Ivoriaanse nationaliteit.

De rechtbank stelde vast dat de Ivoriaanse wetgeving bepaalt dat de nationaliteit via de moeder wordt doorgegeven en dat eiser in zijn eerste asielprocedure in 2017 ook de Ivoriaanse nationaliteit heeft verklaard. De gestelde problemen in Guinee zijn niet relevant voor de asielaanvraag, die aan het beleid van Ivoorkust wordt getoetst.

Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Ivoorkust een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank nam het tijdsverloop van de problemen mee en vond onvoldoende bewijs dat dezelfde problemen zich bij terugkeer zullen voordoen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.16878

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y.E.C. Thole).

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. [1]
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Bij uitspraak van 4 juli 2022 heeft deze rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard. [2]
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraak van 18 augustus 2022 het door eiser ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 4 juli 2022 vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling. [3]
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1999 en de Ivoriaanse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 20 mei 2021 een opvolgende asielaanvraag ingediend.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Eisers identiteit, Ivoriaanse nationaliteit en herkomst worden geloofwaardig geacht. Eisers gestelde problemen in Ivoorkust zijn niet te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij een risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Ivoorkust. Ook heeft eiser het vermoeden dat zijn gestelde problemen bij terugkeer naar Ivoorkust zich nog zullen voordoen niet aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft in dit kader het tijdsverloop van de gestelde problemen betrokken en niet aannemelijk geachte dat eiser bij terugkeer naar Ivoorkust dezelfde problemen met zijn oom zal krijgen. Eisers gestelde problemen in Guinee zijn niet op geloofwaardigheid beoordeeld, omdat eiser stelt de Ivoriaanse nationaliteit te hebben en de asielaanvraag aan het in Ivoorkust geldende beleid wordt getoetst. Aan eiser wordt een terugkeerbesluit opgelegd naar Ivoorkust met een vertrektermijn van vier weken.
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Verweerder stelt ten onrechte – en zonder onderbouwing met bewijs uit originele documenten – dat eiser uitsluitend de Ivoriaanse nationaliteit bezit omdat hij in dat land is geboren. Eiser bezit naast de Ivoriaanse ook de Guinese nationaliteit wegens de afstamming van zijn Guinese vader. Verweerder heeft daarom ten onrechte nagelaten te toetsen of eisers asielmotieven die betrekking hebben op zijn verblijf in Guinee relevant zijn, omdat hij de Ivoriaanse nationaliteit zou hebben. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn gestelde problemen in Guinee betrekking hebben op zijn etnische afkomst, sociale groep en godsdienst en dat deze problemen daarmee te herleiden zijn tot de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Eisers problemen hangen samen met het diepgaande conflict tussen de christelijke Beresse-stam van eisers vader en de islamitische Malinke-stam van zijn moeder. Als kind van gemengde ouders werd eiser een bastaard genoemd. Verweerder miskent tot slot dat eiser bij terugkeer naar Guinee een reëel risico loopt op blootstelling aan behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [4] Eiser is lastiggevallen, uitgemaakt voor bastaard, zijn kapsalon is vernield, hij is gevangen genomen en ontsnapt en eisers oom heeft hem proberen te vermoorden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Verweerder is terecht uitgegaan van de Ivoriaanse nationaliteit van eiser. Verweerder heeft in dit kader niet ten onrechte overwogen dat het in beginsel aan eiser is om zijn nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken. Anders dan eiser stelt, is niet gebleken dat hij naast de Ivoriaanse nationaliteit ook over de Guinese nationaliteit beschikt. Verweerder heeft in dit kader kunnen overwegen dat eiser in zijn eerste asielprocedure in 2017 heeft verklaard de Ivoriaanse nationaliteit te bezitten. De nationaliteit van eiser is pas bij zijn tweede asielaanvraag door eiser in twijfel getrokken. Het standpunt in beroep dat eiser mogelijk over een dubbele nationaliteit zou beschikken is niet nader onderbouwd met objectieve bewijsstukken en door eiser onvoldoende geconcretiseerd. Verweerder heeft in dit kader niet ten onrechte overwogen dat de enkele stelling dat eisers vader de Guinese nationaliteit bezit, en dat deze nationaliteit via de vader wordt doorgegeven, onvoldoende is voor de conclusie dat eiser ook daadwerkelijk de Guinese nationaliteit bezit. Daarbij volgt uit de Ivoriaanse wetgeving [5] dat de Ivoriaanse nationaliteit in ieder geval via de moeder wordt overgedragen bij geboorte én vanwege de geboorte in Ivoorkust. Dit wordt door partijen niet betwist. Verweerder heeft gelet op het bovenstaande de asielaanvraag van eiser niet ten onrechte getoetst aan Ivoorkust en geconcludeerd dat eiser geen vluchteling is noch aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Ivoorkust een reëel risico loopt op ernstige schade.
5. Omdat verweerder eisers asielaanvraag niet ten onrechte heeft getoetst aan Ivoorkust en op goede gronden heeft overwogen dat eisers gestelde problemen in Guinee niet relevant zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, behoeven eisers overige beroepsgronden geen verdere bespreking.
6. Verweerder heeft de aanvraag van eiser terecht afgewezen als ongegrond.
7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 30 april 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Met het kenmerk: ECLI:NL:RBDHA:2022:6651.
3.Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2022:2411.
4.Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
5.Artikel 6 van Pro de nationaliteitswet van Ivoorkust.