ECLI:NL:RBDHA:2026:1055

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 januari 2026
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
NL25.32669 en NL25.32676
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing mvv-aanvragen voor jongvolwassenen in gezinsverband met referent

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 23 januari 2026, zijn de aanvragen voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) van een Syrische moeder en haar pasgeboren dochter aan de orde. De aanvragen zijn ingediend door de referent, de vader van de moeder, die op 11 juli 2023 een verblijfsvergunning asiel heeft verkregen. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvragen op 13 juni 2024 afgewezen, met als argument dat de feitelijke gezinsband niet aannemelijk is gemaakt en dat de moeder niet valt onder het jongvolwassenenbeleid. De rechtbank heeft de afwijzing van de aanvragen beoordeeld aan de hand van de beroepsgronden van de eisers. De rechtbank concludeert dat de minister een onjuiste peildatum heeft gehanteerd en dat de afwijzing van de aanvragen niet in stand kan blijven. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden besluiten. De minister wordt opgedragen om een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten van de eisers vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.32669 en NL25.32676

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

en,

[naam] , dochter van eiseres,

hierna gezamenlijk: eisers,
V-nummers: [nummer] en [nummer] ,
(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.E. Geçer).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de door [naam] (referent) voor eisers ingediende aanvragen tot verlenen van een mvv [1] . Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de besluiten niet in stand kunnen blijven
.Eisers krijgen dus gelijk en het beroep in beide zaken is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Referent heeft voor eiseres op 30 augustus 2023 een aanvraag voor een mvv voor het doel ‘nareis’ ingediend. Op 11 oktober 2023 is ook namens de pasgeboren dochter van eiseres een mvv aangevraagd. De minister heeft deze aanvragen met het besluit van 13 juni 2024 afgewezen. Met de bestreden besluiten van 30 juni 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
2.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 10 december 2025 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent (bijgestaan door een tolk), de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaan deze zaken over?
3. Eisers hebben de Syrische nationaliteit. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en de dochter van eiseres op [geboortedatum]. Zij beogen verblijf bij hun vader/opa (referent). Referent heeft op 11 juli 2023 een verblijfsvergunning asiel gekregen. Hij heeft op 30 augustus 2023 een aanvraag mvv ingediend voor zijn wettige echtgenote en vier kinderen, die op dat moment in Turkije verbleven. Op 11 oktober 2023 heeft hij een aanvraag mvv ingediend voor zijn kleindochter, de dochter van eiseres die een maand eerder is geboren. Op 13 juni 2024 heeft de minister de aanvraag van eiseres en haar pasgeboren dochter afgewezen. De overige familieleden van referent hebben een mvv gekregen om naar Nederland te reizen. Eiseres woont sinds haar familieleden naar Nederland zijn gegaan alleen met haar dochter in Turkije.

Beroep van eiseres (NL25.32669)

Wat heeft de minister besloten?
4. De minister stelt in zijn besluit dat de identiteit van eiseres en de familierechtelijke relatie tussen haar en referent voldoende aannemelijk is gemaakt. De minister heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat volgens hem de feitelijke gezinsband niet aannemelijk is gemaakt. De minister heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat eiseres niet valt onder het jongvolwassenenbeleid. Ook is er volgens de minister geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Dit betekent dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. [2]
Toetsingskader
5. De minister gebruikt het jongvolwassenenbeleid om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM zonder dat daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn vereist. Het jongvolwassenenbeleid bevat vier cumulatieve vereisten:
het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn;
met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven;
niet in zijn eigen onderhoud voorzien; en
geen zelfstandig gezin hebben gevormd. [3]
In andere gevallen wordt familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM tussen ouders en hun meerderjarige kinderen alleen aangenomen als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen het meerderjarige kind en zijn of haar ouder(s). Deze elementen kunnen zijn: samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid en de gezondheid van betrokkenen.
Voldoet eiseres aan het jongvolwassenenbeleid?
6. Partijen verschillen niet van mening dat is voldaan aan het hiervoor onder punt 5. genoemde eerste vereiste. De minister stelt dat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is omdat aan de overige drie voorwaarden niet is voldaan. Eiseres voert aan dat zij voldoet aan de criteria van het jongvolwassenenbeleid. De rechtbank zal dat hierna beoordelen.
Peildatum
7. Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijk beoordeling van de verschillende vereisten, dient allereerst vastgesteld te worden wat de peildatum is.
7.1.
Op 20 november 2024 heeft de Afdeling [4] een overzichtsuitspraak [5] gedaan over het jongvolwassenenbeleid. Uit deze uitspraak volgt dat de minister twee peilmomenten hanteert waarop hij beoordeelt of de feitelijke gezinsband tussen het meerderjarige kind en zijn ouders is verbroken: op het moment van inreis van de referent in Nederland en op het moment van het nemen van het besluit op de nareisaanvraag. Als de feitelijke gezinsband ten tijde van het eerste peilmoment verbroken is, hoeft de minister niet te toetsen hoe de situatie was op het tweede peilmoment. Voor de vraag of de gezinsband ten tijde van het eerste peilmoment is verbroken, mag de minister omstandigheden betrekken die zich vóór het peilmoment hebben voorgedaan. Deze omstandigheden mogen echter niet zonder meer doorslaggevend zijn in die zin dat een vóór het eerste peilmoment verbroken gezinsband nooit kan worden hersteld.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit lijkt uit te gaan van de peildatum 1 januari 2023, het moment van de aanvraag van referent in Nederland. [6] De rechtbank oordeelt, gelet op de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak en de eigen werkinstructie van de minister [7] , dat de minister in het bestreden besluit van een onjuiste peildatum is uitgegaan. Nog los van het feit dat de aanvraag die referent heeft gedaan niet op 1 januari 2023, maar op 30 augustus 2023 is ingediend, is de datum van inreis van referent de peildatum. Dit betekent dat sprake is van een motiveringsgebrek. Dit is door de minister in zoverre ook op de zitting erkend, door aan te geven dat de peildatum in dit geval de datum inreis van referent in Nederland is. De rechtbank zal, gelet op dit motiveringsgebrek, het beroep gegrond verklaren. De rechtbank zal hierna beoordelen of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daarbij zal uitgegaan worden van de peildatum 28 december 2022, de inreisdatum van referent in Nederland.
Voorwaarde twee: in gezinsverband samenleven
8. Eiseres stelt zich op het standpunt dat op de peildatum van 28 december 2022 zij in ieder geval nog thuis woonde. Op dat moment werd dus in Turkije in gezinsband samengeleefd met de overige achtergebleven gezinsleden van eiseres. Hoewel referent bij de aanvraag heeft verklaard dat eiseres tussen 1 januari 2023 en 1 mei 2023 heeft samengewoond met haar toenmalige partner, is dat niet correct. Eiseres is altijd deel blijven uitmaken van het kerngezin, ook nadat referent in Nederland was. Eiseres heeft niet gescheiden van het kerngezin gewoond met haar toenmalige partner.
8.1.
De rechtbank oordeelt dat zij op dit punt de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kan laten. De minister heeft op de zitting geen eenduidig standpunt ingenomen of wel of niet aan deze voorwaarde is voldaan als uitgegaan wordt van de peildatum van 28 december 2022. Aan de ene kant is op zitting erkend dat eiseres op de peildatum nog bij het kerngezin hoorde, aan de andere kant is aangegeven dat geen antwoord gegeven kan worden op de vraag of sprake was van in gezinsband samenleven op de peildatum. Op de zitting is verder door de minister gewezen op de wisselende verklaringen over de feitelijke situatie na 1 januari 2023, maar het is de rechtbank niet duidelijk geworden hoe en of dat maakt dat op de peildatum niet sprake is van in gezinsband samenleven. De enkele verwijzing naar de werkinstructie is daarvoor onvoldoende. [8] Verder heeft de minister er op de zitting op gewezen dat eiseres ook aan de overige voorwaarden niet voldoet. De rechtbank zal deze voorwaarden hierna bespreken.
Voorwaarde drie: niet in eigen onderhoud voorzien
9. Eiseres voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij in haar eigen onderhoud voorziet. Eiseres leeft momenteel op kosten van referent en haar ooms die haar maandelijks een bedrag van ongeveer € 100,- tot € 150,- toesturen. Ze heeft geen werk en besteed haar tijd aan de verzorging van haar dochter. Eiseres kan zich als alleenstaande vrouw met een kind niet zelfstandig handhaven in Turkije.
9.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat eiseres niet in staat is om zelfstandig een inkomen te genereren. Dat ze dat nu in Turkije niet doet, maakt niet dat ze dat niet zou kunnen. Niet is onderbouwd dat het daadwerkelijk niet mogelijk is voor eiseres om in Turkije te werken. Bovendien heeft referent verklaard dat zij in Europa wel zou kunnen werken, daaruit wordt afgeleid dat ze in Turkije ook kan werken.
9.2.
De rechtbank stelt voorop dat de vaststelling of eiseres niet in haar eigen onderhoud voorziet een op het geval toegespitste beoordeling vereist. [9] Daar komt bij dat het gaat om een feitelijke vaststelling. [10] Eiseres stelt dat zij op de peildatum werd onderhouden door referent en de broers van referent. Daartoe zijn in bezwaar ook bankoverschrijvingen van referent naar eiseres overgelegd. De rechtbank stelt vast dat de minister deze feiten en omstandigheden niet kenbaar in haar beoordeling heeft betrokken. Gelet daarop kan de rechtbank de rechtsgevolgen op dit punt niet in stand laten.
Voorwaarde vier: geen zelfstandig gezin hebben gevormd.
10. Eiseres voert aan dat zij geen zelfstandig gezin heeft gevormd. Zij voert aan dat ze wel heeft geprobeerd om samen te leven met haar toenmalige partner maar dat dit is mislukt. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat er in de periode dat zij samen was met haar partner, haar dochter nog niet was geboren. Eiseres heeft niet apart van het gezin gewoond, maar haar partner heeft een tijdje bij het gezin ingewoond.
10.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres op de peildatum religieus gehuwd was. Zij had op dat moment al 2,5 jaar een relatie en heeft daarom een eigen gezin gevormd. Niet wordt tegengeworpen dat eiseres een kind heeft en daarom een zelfstandig gezin heeft gevormd, omdat het kind op de peildatum nog niet was geboren.
10.2.
De rechtbank vindt dat de minister onvoldoende kenbaar alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken in zijn beoordeling. De rechtbank stelt daarbij voorop dat het aangaan van een huwelijk niet in alle gevallen zonder meer lijdt tot de conclusie dat een vreemdeling een eigen gezin heeft gesticht. [11] Eiseres is, volgens de gegevens op het aanvraagformulier, van 1 september 2021 tot 1 mei 2023 religieus gehuwd geweest. Dit betekent dat zij minderjarig was ten tijde van het aangaan van het religieuze huwelijk. De minister heeft deze omstandigheden niet kenbaar meegewogen. Daar komt bij dat ook niet duidelijk is hoe is meegewogen dat eiseres op de peildatum nog samenleefde met de achtergebleven familieleden. Dit maakt dat de rechtbank de rechtsgevolgen ook op dit punt niet in stand laten.
11. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van de overige beroepsgronden.

Beroep van de dochter van eiseres (NL25.32676)

12. De minister heeft in de besluitvorming de dochter van eiseres het voordeel van de twijfel gegeven over haar identiteit en de familierechtelijke relatie tussen haar en referent. De minister heeft de aanvraag van het de dochter van eiseres afgewezen, omdat er volgens hem geen sprake is van familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Er is namelijk geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen referent en de dochter van eiseres. Ook voor de in Nederland verblijvende kinderen van referent bestaat geen gezinsleven met de dochter van eiseres. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de belangen van het kind niet zijn geschaad, omdat de dochter van eiseres onder haar ouderlijk gezag valt en zij niet van elkaar worden gescheiden.
12.1.
De rechtbank komt niet toe aan de bespreking van de beroepsgronden van de dochter van eiseres, omdat haar aanvraag onlosmakelijk is verbonden met de aanvraag van eiseres. Omdat het bestreden besluit van eiseres niet in stand kan blijven, vernietigt de rechtbank ook het bestreden besluit van de dochter van eiseres.

Conclusie en gevolgen

13. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren, het besluit van eiseres vernietigen en de minister opdragen om een nieuw besluit te nemen. Zoals hiervoor is overwogen onder 8.1., 9.2. en 10.2., laat de rechtbank de rechtsgevolgen niet in stand. De minister moet een nieuw besluit nemen op de aanvraag en daarbij rekening houden met deze uitspraak. [12]
13.1.
Omdat het bestreden besluit van eiseres niet in stand kan blijven, vernietigt de rechtbank ook het bestreden besluit van de dochter van eiseres. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. [13] Verder bepaalt de rechtbank dat de minister het griffierecht van € 388,- aan eisers moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep in de zaken NL25.32669 en NL25.32676 gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten van 30 juni 2025;
  • draagt de minister op in beide zaken een nieuw besluit te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.802,-;
  • veroordeelt de minister tot betaling van het griffierecht van € 388,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Dijkstra, griffier en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Europees Verdrag tot het beschermen van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3.Paragraaf B7/3.8.1. van de Vc 2000.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Pagina 3 van het bestreden besluit.
7.Werkinstructie 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM, pagina 12.
8.WI 2024/4 Instructies behandeling nareis (asiel), pagina 16 bovenaan.
9.Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2145), r.o. 8.3.
10.Vgl. HvJEU, 12 december 2019 (ECLI:EU:C:2019:1070), TB, r.o. 47 e.v.
11.Uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4012).
12.Artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
13.1 punt voor het indienen van een beroepschrift in de zaak van eiseres, 1 punt voor het indienen van een beroepschrift in de zaak van de dochter van eiseres en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1.