ECLI:NL:RBDHA:2026:10397

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
AWB 24/17651
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 17 VwArt. 64 VwArt. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deelwijze vernietiging afwijzing verblijfsvergunning regulier wegens mvv-vereiste en non-refoulement beoordeling

Eiseres vroeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf bij haar dochter op grond van artikel 8 EVRM Pro. De minister wees de aanvraag af vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot verblijf (mvv) en het ontbreken van een vrijstelling op grond van onder meer het arrest Chavez-Vilchez, medische situatie en familieleven.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht geen vrijstelling verleende op grond van het arrest Chavez-Vilchez en dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseres en haar dochter. Wel is de belangenafweging over het opgebouwde privéleven en familieleven onvoldoende gemotiveerd, evenals de non-refoulement beoordeling bij terugkeer naar Venezuela.

De minister heeft deze gebreken in beroep alsnog hersteld, waardoor de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Eiseres krijgt het verzoek niet toegewezen, maar de rechtbank veroordeelt de minister tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; eiseres krijgt geen verblijfsvergunning.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/17651

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M. Dorgelo),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op het bezwaarschrift waarbij de minister is gebleven bij de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij dochter [naam] in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] ’. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing op bezwaar (het bestreden besluit).
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit deels juist en deels niet juist is. Het bestreden besluit is juist waar de minister zich op het standpunt stelt dat er – kort gezegd – geen sprake is van een zogenaamde Chavez-Vilchez-situatie, van een medische situatie en van familieleven tussen eiseres en haar dochter die maken dat de minister eiseres vrijstelling had moeten verlenen van het vereiste om over een geldige machtiging tot verblijf (mvv) te beschikken. Niet juist is de belangenafweging die de minister heeft gemaakt in het kader van het privéleven dat eiseres in Nederland heeft opgebouwd tijdens haar verblijf. Maar omdat de minister die afweging in beroep alsnog heeft gemaakt en die afweging de rechterlijke toets kan doorstaan, blijven de gevolgen voor eiseres dezelfde als zou de minister direct de juiste afweging hebben gemaakt.
De minister heeft ook ten onrechte in het bestreden besluit geen actuele beoordeling gemaakt van het risico bij terugkeer naar Venezuela op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM (een zogenaamde non-refoulement-beoordeling), maar ook dat heeft de minister in beroep alsnog gedaan, en die beoordeling kan ook de rechterlijke toets doorstaan.
Eiseres krijgt dus uiteindelijk niet waar ze om heeft verzocht. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 wordt het bestreden besluit kort weergegeven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4. Daarbij bespreekt zij eerst het bestreden besluit voor zover dat ziet op de weigering van de verblijfsvergunning regulier. Vervolgens bespreekt zij de weigering van de minister om uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vw [2] en de actuele non-refoulementbeoordeling. Aan het eind staat de conclusie van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2.1
Eiseres heeft op 14 juni 2019 een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij dochter [naam] in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM’. Bij besluit van 1 juli 2020 is de aanvraag niet in behandeling genomen, waarbij tevens een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. Het bezwaar dat eiseres daartegen heeft gemaakt is bij besluit van 6 oktober 2020 ongegrond verklaard. Daartegen is beroep ingesteld.
2.2
De minister heeft de brief van 16 december 2020 aangemerkt als een nieuwe aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder dezelfde beperking als de eerdere aanvraag. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 11 maart 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 oktober 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.3
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4
De rechtbank heeft partijen bij brief van 9 februari 2025 bericht dat zij ter zitting twee arresten aan de orde zou stellen en partijen verzocht zich daarop voor te bereiden en zo mogelijk al voor de zitting het standpunt over de toepasselijkheid van deze arresten schriftelijk aan de rechtbank en aan de wederpartij te sturen. De minister heeft hierop gereageerd bij bericht van 10 februari 2026.
2.5
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Het bestreden besluit

3. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet beschikte over een geldige mvv. Volgens de minister bestaat er geen aanleiding om eiseres op grond van artikel 17, eerste lid, van de Vw vrijstelling voor het mvv-vereiste te verlenen. Er is geen sprake van familie- of gezinsleven van eiseres met haar dochter en kleinkinderen of privéleven, zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, die maken dat eiseres van dit vereiste moet worden vrijgesteld. Ook is er volgens de minister geen aanleiding om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Daarnaast heeft de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez. [3]
Verder blijkt niet dat eiseres vanwege haar medische situatie niet kan reizen, zodat er geen aanleiding bestond uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vw.

Beoordeling door de rechtbank

Over de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
Moet eiseres worden vrijgesteld van het mvv-vereiste omdat er sprake is van een Chavez-Vilchez-situatie?
4. Eiseres heeft aangevoerd dat het belang van de minderjarige kinderen te licht is gewogen en is miskend dat de kinderen hun hele leven zijn verzorgd en opgevoed door hun oma. De minister interpreteert het arrest Chavez-Vilchez verkeerd door de maatstaf aan te leggen of er anderen zijn die de zorg kunnen overnemen. Deskundigen hebben bevestigd dat de zorg en opvoeding door eiseres zo belangrijk is dat de kinderen met eiseres mee zouden moeten als eiseres de Unie zou moeten verlaten. De minister kan de conclusies van deze deskundigen niet in twijfel trekken zonder het raadplegen van andere deskundigen.
4.1.
Uit het arrest Chavez-Vilchez volgt dat het op de weg van de minister ligt om aan de hand van de door eiseres verstrekte gegevens de afhankelijkheidsverhouding te onderzoeken. Daarbij is van belang dat er daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken worden verricht. Maar bij de beoordeling moeten ook de in het arrest Chavez-Vilchez genoemde hogere belangen van het kind, zijn leeftijd, zijn lichamelijke en emotionele ontwikkeling, de mate van zijn affectieve relatie zowel met de ouder die burger van de Unie is als met de derdelander-ouder, evenals het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als het van deze laatste ouder zou worden gescheiden worden betrokken. In dat kader is van belang of eiseres (inmiddels) een stabiele factor in het leven van het kind is en of het kind in zijn ontwikkeling wordt bedreigd als eiseres haar (huidige) rol meer op afstand zou moeten vervullen. De minister heeft hieraan in het beleid dat is opgenomen in B10/2.2. van de Vc nadere invulling gegeven.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres geen rechten kan ontlenen aan artikel 20 van Pro het VWEU [4] op grond van het arrest Chavez-Vilchez.
4.3.
De minister heeft op goede gronden overwogen dat niet is gebleken van een dusdanige afhankelijkheid tussen eiseres en haar kleinkinderen dat bij weigering van een verblijfsvergunning aan eiseres, de kleinkinderen zullen worden gedwongen het grondgebied van de Unie te verlaten. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat – kort gezegd – die afhankelijkheid onvoldoende is onderbouwd. Eiseres heeft in deze procedure vele stukken overgelegd, onder andere van de huisarts, van de kindercoach, van de Jeugdbescherming en van een psycholoog. In al deze verklaringen wordt gesteld dat eiseres een belangrijke rol heeft in de opvoeding en zorg van de kleinkinderen, maar de minister stelt niet ten onrechte dat niet duidelijk is op welke wijze de conclusie is getrokken en welke informatie daaraan ten grondslag heeft gelegen. Dat de minister alleen aan deze verklaringen van deskundigen voorbij zou kunnen gaan door zelf een deskundige in te schakelen volgt de rechtbank niet. Daargelaten of al deze personen als een deskundige kunnen worden aangemerkt, is voor de feitelijke vaststelling over hoe een conclusie is getrokken en welke informatie daaraan ten grondslag heeft gelegen geen deskundige vereist.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister in de verklaringen die eiseres en haar dochter over deze zorgtaken hebben afgelegd, onder andere tijdens de hoorzitting in bezwaar, geen aanleiding heeft hoeven zien om aan te nemen dat van bedoelde afhankelijkheid sprake is. De rechtbank verwijst daarbij naar de verklaringen waarnaar de minister in het bestreden besluit heeft verwezen ter onderbouwing van zijn standpunt.
4.4
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de belangen van de kleinkinderen bij de beoordeling onvoldoende zijn meegewogen en overweegt daartoe als volgt. De minister heeft kunnen overwegen dat niet is gebleken dat de scheiding van de dochter van eiseres en haar echtgenoot heeft geleid tot het ontstaan van een onveilige en structureel onstabiele situatie. De minister heeft er daarbij niet ten onrechte op gewezen dat zowel de vader als de moeder bij de zorg van de kinderen zijn betrokken, zij het dat vooral de moeder de zorg op zich neemt, en dat de ouders constructief kunnen overleggen over de omgang met hun kinderen. De minister erkent dat uit de stukken volgt dat eiseres voor de kinderen rust en veiligheid brengt maar stelt niet ten onrechte dat op basis van wat eiseres heeft aangevoerd niet kan worden gezegd dat eiseres essentieel is voor die stabiliteit en veiligheid en dat de ouders die veiligheid en stabiliteit niet zouden kunnen bieden. Dat de vader inmiddels uit beeld zou zijn, zoals eiseres ter zitting naar voren heeft gebracht, is niet onderbouwd. Zo eiseres hier al in zou moeten worden gevolgd blijkt niet dat dit van invloed is op de veiligheid en stabiliteit in het gezin en de rol die eiseres daarin heeft.
4.5
Gelet op het voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen verblijf toekomt als verzorgende ouder van een minderjarig kind als bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez en haar daarom terecht geen vrijstelling verleend van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, aanhef en onder b, van de Vw.
Moet eiseres worden vrijgesteld van het mvv-vereiste vanwege de band die zij heeft met haar dochter?
5. Eiseres heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte stelt dat eiseres en haar dochter 15 jaar uit elkaar zijn geweest. Eiseres heeft altijd deel uitgemaakt van het gezin en reisde heen en weer. De intensivering van het leven dat eiseres heeft opgebouwd is het gevolg van de besluitvorming waarover de minister lang heeft gedaan en dit is ten onrechte niet meegewogen. Ten onrechte stelt de minister dat nergens uit blijkt dat de kinderen van eiseres haar niet kunnen opvangen in Venezuela, dat blijkt immers uit hun verklaringen.
6. Bij de band van eiseres met haar dochter gaat het om de band met een meerderjarig kind. Om dan te kunnen spreken van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. [5] De minister moet een brede beoordeling maken van de vraag of die elementen bestaan, waarin hij alle individuele omstandigheden van het geval betrekt. Deze beoordeling is van feitelijke aard. De bestuursrechter moet het onderzoek van de minister naar de relevante feiten en omstandigheden en de motivering van de minister op dit punt volledig toetsen, zodat effectieve rechtsbescherming is verzekerd. Bij de weging van de elementen heeft de minister beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan toetst de bestuursrechter daarom enigszins terughoudend.
6.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De stelling van de minister dat eiseres en haar dochter 15 jaar uit elkaar zijn geweest is in zoverre terecht ingenomen dat de dochter sinds 2001 over een verblijfsvergunning voor Nederland beschikt en eiseres in Venezuela woonde en zich in 2016 in Nederland bij haar dochter heeft gevoegd. Dat eiseres regelmatig bij haar dochter op bezoek kwam, doet er niet aan af dat zij al die tijd niet samenwoonden, wat een van de omstandigheden is die kan worden betrokken bij het vaststellen van bijkomende elementen.
6.2
De stelling van de minister dat nergens uit is gebleken dat de kinderen van eiseres die nog in Venezuela wonen haar niet kunnen opvangen is in zoverre onjuist, dat dit wel blijkt uit de verklaringen die de kinderen daar zelf over hebben afgelegd. [6] In het licht van wat overigens in het bestreden besluit is overwogen en in het verweerschrift is aangevoerd, begrijpt de rechtbank deze stelling echter aldus dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd waarom haar kinderen in Venezuela haar niet kunnen opvangen. De minister heeft zich terecht op dat standpunt gesteld omdat de kinderen weliswaar stellen dat het huis waarin zij wonen, het werk dat zij hebben en het salaris dat zij verdienen onvoldoende is om eiseres onderdak te verlenen en haar financieel te kunnen onderhouden, maar dit op geen enkele manier hebben onderbouwd met stukken.
6.3
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister alle individuele omstandigheden heeft betrokken bij de beoordeling of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat daarvan geen sprake is. De minister heeft dat standpunt namelijk voldoende gemotiveerd, waarbij de rechtbank verwijst naar wat hierover is overwogen op pagina 5, 6 en 7 van het bestreden besluit.
6.4
Daarmee is geen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM en bestond voor de minister geen aanleiding om een belangenafweging te maken.
6.5
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres geen vrijstelling van het mvv-vereiste wordt verleend op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb [7] .
Moet eiseres worden vrijgesteld van het mvv-vereiste vanwege het privéleven dat zij in Nederland heeft opgebouwd?
7. Eiseres heeft aangevoerd dat door haar verblijf in Nederland privéleven is opgebouwd dat is geïntensiveerd door opbouw van sociale contacten, vrijwilligerswerk, kerkbezoek en familieleven. Dat is ook gefaciliteerd door de minister door lang te doen over de besluitvorming, wat ten onrechte niet, althans onvoldoende, is meegewogen.
8. De minister heeft aangenomen dat eiseres privéleven heeft in Nederland. In het kader van de vraag of dat in dit geval tot een verblijfsvergunning zou moeten leiden, heeft de minister een belangenafweging gemaakt, die in het nadeel van eiseres is uitgevallen.
9. Eiseres stelt terecht dat de minister het tijdsverloop niet in die belangenafweging heeft betrokken, terwijl hij daar wel toe gehouden was. Alleen al uit Werkinstructie 2020/16 onder 10.3 volgt immers dat de minister daar rekening mee moet houden. De minister heeft ter zitting ook erkend dat het tijdsverloop niet, althans onvoldoende kenbaar, bij de belangenafweging is betrokken.
10. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat het privéleven van eiseres geen aanleiding geeft eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb.
Moet eiseres worden vrijgesteld van het mvv-vereiste vanwege de band die zij heeft met haar kleinkinderen?
11. De minister heeft aangenomen dat tussen eiseres en haar kleinkinderen sprake is van hechte persoonlijke banden en daarmee van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Ook ten aanzien van het familieleven heeft de minister daarom een belangenafweging gemaakt maar daarbij, net als bij de belangenafweging in het kader van privéleven, niet het tijdsverloop betrokken.
12. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat dit familieleven geen aanleiding geeft eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb.
Moet eiseres vanwege haar medische situatie worden vrijgesteld van het mvv-vereiste?
13. Eiseres heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte geen rekening houdt met de achteruitgang van haar medische situatie tijdens de bezwaarprocedure, die onzekerheid meebrengt en daarmee stress en lichamelijke klachten heeft veroorzaakt. Ten onrechte heeft de minister de gezondheidssituatie niet onderzocht. Ten onrechte is geen rekening gehouden met het advies van medische deskundigen dat terugkeer naar Venezuela herbeleving van het trauma zou veroorzaken, wat een aanzienlijke achteruitgang in de gezondheid van eiseres zou opleveren.
14. De rechtbank overweegt dat het aan eiseres is haar medische situatie te onderbouwen en dat een eventuele verslechtering van die situatie dus ook zou moeten volgen uit de stukken die zij heeft overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier volgt dat de minister alle relevante medische stukken die eiseres heeft overgelegd heeft voorgelegd aan het BMA, dat vervolgens is gekomen tot het advies van 6 mei 2024, waarin staat dat het uitblijven van de behandeling van de angststoornis en het uitblijven van behandeling van hypothyreoïdie niet leidt tot een medische noodsituatie binnen drie tot zes maanden en dat eiseres kan reizen.
15. Eiseres heeft geen contra-expertise overgelegd, zodat de door de rechtbank te verrichten toetsing niet verder gaat dan dat de rechtbank naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de minister zich ingevolge artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ervan heeft vergewist dat dit advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is.
16. De minister heeft met het BMA-advies de gezondheidstoestand van eiseres deugdelijk onderzocht. Zij heeft van het BMA-advies mogen uitgaan, omdat het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Uit het advies blijkt dat het BMA alle bijzondere medische omstandigheden en de stukken die eiseres ter onderbouwing van haar medische situatie heeft overgelegd kenbaar heeft betrokken. De minister heeft er in het verweerschrift verder terecht op gewezen dat een verschil van inzicht tussen het BMA en de behandelaar, in dit geval de huisarts, niet betekent dat het BMA-advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. [8]
17. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres kan reizen en dat haar medische situatie daarom geen aanleiding geeft haar vrijstelling te verlenen van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, aanhef en onder c, van de Vw.
Over het uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw
18. Voor zover moet worden aangenomen dat wat eiseres heeft aangevoerd over haar medische situatie ook ziet op de beslissing van de minister om geen toepassing te geven aan artikel 64 van Pro de Vw, slaagt haar betoog niet. De rechtbank verwijst daarvoor naar wat zij hiervoor heeft overwogen over het advies van het BMA.
19. Dat leidt de rechtbank tot de conclusie dat de minister terecht heeft geweigerd eiseres uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vw.
Over de (actuele) non-refoulementbeoordeling
20. Eiseres heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier ingediend. Op die aanvraag is op 1 juli 2020 beslist. Dit besluit was tevens een terugkeerbesluit en de minister heeft eiseres opgedragen Nederland en de Europese Unie binnen 4 weken te verlaten. De minister heeft in dat besluit niet beoordeeld of eiseres bij terugkeer naar Venezuela een risico loopt op ernstige schade. Gelet op het arrest Adrar [9] had de minister dat, achteraf bezien, wel moeten doen. Uit dit arrest, zo heeft de Afdeling geoordeeld, volgt namelijk dat de minister op grond van artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn in alle fasen van de terugkeerprocedure met het beginsel van non-refoulement rekening moet houden, ook in reguliere procedures. De minister heeft dat in het terugkeerbesluit ten onrechte niet gedaan, maar ook niet in de beslissing op bezwaar. [10] Het besluit is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit gelet op wat de rechtbank in rechtsoverwegingen 10, 12 en 20 heeft geconcludeerd is genomen in strijd met de wet. [11] De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
22. Maar gelet op wat de minister in zijn brief van 10 februari 2026 en ter zitting naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank licht dat toe.
Over de belangenafweging
23. De minister heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat als het tijdsverloop wordt betrokken bij de belangenafweging, dit niet leidt tot een andere uitkomst van die belangenafweging. Het tijdsverloop is namelijk van beperkt gewicht omdat het gaat om een eerste toelating en het tijdsverloop is opgebouwd in een periode, deels zonder rechtmatig verblijf, waarin voor eiseres onduidelijk was of zij mocht blijven.
24. De rechtbank is van oordeel dat de minister hiermee alle omstandigheden bij de belangenafwegingen waaraan een gebrek kleefde heeft betrokken en niet ten onrechte de belangenafweging in het nadeel van eiseres heeft laten uitvallen. Het privéleven van eiseres heeft de minister daarom geen aanleiding hoeven geven eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb.
Over de (actuele) non-refoulementbeoordeling
25. De minister heeft in zijn reactie van 10 februari 2026 aangevoerd dat het enkele feit dat eiseres afkomstig is uit Venezuela niet maakt dat zij het risico loopt om te worden onderworpen aan een schending van het beginsel van non-refoulement. De minister heeft daarbij verwezen naar het landenbeleid zoals dat is neergelegd in C7/36 van de Vc. [12] De minister heeft verder erkend dat de gewapende overval en verkrachting waarvan eiseres slachtoffer is geweest, en waarover zij ook heeft verklaard tijdens de hoorzitting in bezwaar van 19 juni 2024, ingrijpend zijn geweest, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat dit op zichzelf onvoldoende is om bij terugkeer een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM aan te nemen. De minister heeft daarbij in aanmerking genomen dat sprake is geweest van een niet-gerichte gebeurtenis, zodat geen concrete aanwijzingen bestaan dat eiseres bij terugkeer opnieuw met een dergelijk incident zal worden geconfronteerd.
26. Eiseres heeft naar de zitting meegebracht de heer Carterriez Martinez, een advocaat uit Venezuela die kennis heeft van de situatie in Venezuela. Hij verklaart dat er momenteel in Venezuela sprake is van een noodsituatie, die voor 90 dagen duurt. Mensen zijn slachtoffer van seksuele misdaden en er is geen bescherming. Terugkeer naar Venezuela is niet mogelijk, zeker niet voor mensen met contacten in de politiek, en er zijn ook problemen om basisrechten te krijgen. Eiseres heeft in de gronden van beroep verder aangevoerd dat terugkeer naar Venezuela herbeleving van het trauma (de verkrachting) zou opleveren, wat een aanzienlijke achteruitgang van de gezondheid van eiseres zou opleveren.
27. De rechtbank overweegt dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom uit wat eiseres in Venezuela heeft meegemaakt niet volgt dat zij bij terugkeer risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. De rechtbank stelt vast, ook op basis van openbare bronnen, dat het in Venezuela onrustig is door de recente interventie door de Verenigde Staten. Wat de heer Cartierrez Martinez ter zitting heeft verklaard wijkt in de kern niet af van wat uit die bronnen blijkt. De situatie zoals die uit de bronnen naar voren komt is naar het oordeel van de rechtbank echter niet zodanig dat eenieder die terugkeert naar Venezuela het risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. Verder is niet gebleken dat eiseres gegeven haar ervaringen in de huidige situatie wel dat risico loopt, eiseres heeft dat niet onderbouwd. De rechtbank begrijpt dat ervaringen uit het verleden bij terugkeer naar de plek waar die ervaring zijn opgedaan ertoe kan leiden dat herinnering aan die ervaringen weer op de voorgrond treden. Dat eiseres daardoor bij terugkeer in een situatie zou komen die artikel 3 van Pro het EVRM verbiedt, kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden afgeleid uit de stukken die eiseres ter onderbouwing van haar situatie heeft overgelegd.
28. Omdat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, blijft de afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier staan. Eiseres mag niet in Nederland blijven.
Over het griffierecht en de proceskosten
29. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. De vergoeding bedraagt € 1.868,-. [13]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 7 oktober 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Bruins, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Vreemdelingenwet 2000.
3.Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.
4.Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.
5.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
6.Zie verklaring gevoegd bij de brief van 23 juni 2020.
7.Vreemdelingenbesluit 2000.
8.Zie bv Afdeling 1 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2226.
9.Hof van Justitie van de Europese Unie 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
10.Vgl. Afdeling 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178.
11.Artikel 7:12 van Pro de Awb.
12.Vreemdelingencirculaire 2000.
13.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.