ECLI:NL:RBDHA:2026:10296
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen informatiebrief beëindiging tijdelijke bescherming derdelander
Deze zaak betreft het beroep van een derdelander met de Nigeriaanse nationaliteit tegen een informatiebrief van de minister van Asiel en Migratie van 15 juli 2025. De brief informeerde over de beëindiging van de bevriezingsmaatregel die tijdelijk de rechten van derdelanders onder de Richtlijn tijdelijke bescherming verlengde tot 4 september 2025.
Eiser had facultatieve tijdelijke bescherming verkregen op grond van de Richtlijn en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, nadat hij vanuit Oekraïne naar Nederland was gekomen. Zijn asielaanvraag werd op 17 juli 2024 afgewezen en er werd een terugkeerbesluit opgelegd. De minister had eerder een besluit genomen tot beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 september 2023, maar dit werd ingetrokken na een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die stelde dat het recht op tijdelijke bescherming van derdelanders eindigde op 4 maart 2024.
De rechtbank oordeelt dat de brief van 15 juli 2025 een algemeen informatief karakter heeft en geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Omdat eiser al eerder schriftelijk was geïnformeerd en een terugkeerbesluit was opgelegd, kan hij niet tegen deze brief opkomen. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd om van het beroep kennis te nemen en gaat niet in op de overige beroepsgronden.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak is gedaan door rechter M. van Harten en griffier F. Metz op 24 april 2026.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de informatiebrief over de beëindiging van de bevriezingsmaatregel.