Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende derdelander die rechtmatig in Oekraïne verbleef, kreeg tijdelijke bescherming in Nederland na de inval in Oekraïne. Verweerder besloot op 7 februari 2024 de tijdelijke bescherming te beëindigen per 4 maart 2024, waarna eiser binnen vier weken Nederland moest verlaten. Na diverse prejudiciële vragen en uitspraken van hogere instanties werd het beroep aangehouden en later hervat met een vervangend terugkeerbesluit van 6 augustus 2025.
Eiser voerde aan dat het terugkeerbesluit prematuur was, omdat niet was onderzocht of Nederland een toezegging had gedaan de facultatieve bescherming niet eerder te beëindigen dan de verplichte bescherming. Ook stelde hij dat verweerder niet had getoetst aan artikel 3 EVRM Pro en dat er geen individuele belangenafweging was gemaakt, in strijd met het evenredigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Daarnaast stelde eiser dat hij als partner van een Oekraïense burger aanspraak maakte op afgeleid verblijfsrecht.
De rechtbank oordeelde dat het vervangende besluit aan de wettelijke vereisten voldoet, dat geen toezeggingen zijn gedaan die het vertrouwen van eiser rechtvaardigen, en dat het evenredigheidsbeginsel niet van toepassing is omdat de bescherming van rechtswege eindigt. Ook is geen sprake van een reëel risico op schending van het non-refoulementbeginsel bij terugkeer naar Turkije. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
De rechtbank veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van eiser wegens het gebrek in het oorspronkelijke besluit. Het beroep wordt afgewezen, het terugkeerbesluit blijft van kracht.
Uitkomst: Het beroep tegen het beëindigen van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit blijft van kracht.