Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:980

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2025
Publicatiedatum
28 januari 2025
Zaaknummer
23/3937
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Awir
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen late aanvraag huur- en zorgtoeslag bevestigd

Eiser heeft bij de Dienst Toeslagen een aanvraag ingediend voor huur- en zorgtoeslag over de jaren 2018 en 2019, welke door verweerder zijn afgewezen wegens overschrijding van de wettelijke aanvraagtermijn. Na behandeling van het bezwaar bleef verweerder bij zijn besluit. Eiser voerde aan dat vanwege persoonlijke omstandigheden, waaronder faillissement en dakloosheid, de aanvraagtermijn niet strikt toegepast mocht worden en verwees naar het evenredigheidsbeginsel en de toeslagenaffaire.

De rechtbank oordeelt dat de aanvraagtermijn van artikel 15, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) dwingend is en geen afwijking toelaat. De persoonlijke omstandigheden van eiser rechtvaardigen geen afwijking van deze wettelijke termijn, aangezien de wetgever bewust heeft gekozen voor een strikte termijn om rechtszekerheid en een helder kader te waarborgen.

De rechtbank concludeert dat de bestreden besluiten terecht zijn genomen en verklaart het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan door rechter Mollen op 28 januari 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de late aanvraag huur- en zorgtoeslag wordt ongegrond verklaard en de besluiten blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3937

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 januari 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigden: [naam 1] en [naam 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van huur- en zorgtoeslag.
1.1.
Verweerder heeft eisers aanvraag van huur-en zorgtoeslag over 2018 en 2019 bij besluiten van 23 maart 2023 afgewezen. Bij besluiten van 19 mei 2023 op de bezwaren van eiser is verweerder daarbij gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigden van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Op 15 december 2022 heeft eiser verzocht om herziening van zorgtoeslag en huurtoeslag over de jaren 2018 en 2019. Omdat verweerder geen eerdere aanvraag om zorgtoeslag en huurtoeslag over die jaren had ontvangen, is het verzoek aangemerkt als een eerste aanvraag om toekenning van deze toeslagen. Verweerder heeft beslist tot afwijzing, omdat de aanvraag te laat is ontvangen.
Wat stelt eiser in beroep?
3. Verweerder had de aanvragen niet mogen afwijzen. Nadat eiser failliet is verklaard en dakloos raakte, werd een postblokkade opgelegd. Daardoor was hij niet in staat om de toeslagen tijdig aan te vragen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Zorgtoeslag en huurtoeslag zijn tegemoetkomingen waarop de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) van toepassing is. In artikel 15, eerste lid van de Awir is bepaald, dat een aanvraag om een tegemoetkoming met betrekking tot een berekeningsjaar, tot 1 september van het jaar volgend op het berekeningsjaar kan worden ingediend. Als een belastingplichtige is uitgenodigd tot het doen van aangifte en daarvoor een termijn is vastgesteld die op een later moment verloopt, kan de tegemoetkoming tot dat latere moment worden aangevraagd.
4.1.
Voor het jaar 2018 kon eiser tot 1 september 2019 toeslagen aanvragen. Door verleend uitstel kon dat voor het jaar 2019 tot 1 mei 2021. Voor beide jaren is de aanvraagtermijn zeer ruim overschreden.
4.2.
Eisers betoog komt erop neer, dat van de wettelijke aanvraagtermijn moet worden afgeweken. Dat is niet mogelijk. De tekst van artikel 15, eerste lid, van de Awir is dwingend geformuleerd en laat geen ruimte om daarvan af te wijken.
Voor zover eiser met zijn verwijzingen naar de toeslagenaffaire heeft bedoeld, dat de rechtbank met toepassing van het evenredigheidsbeginsel van de aanvraagtermijn moet afwijken, ziet de rechtbank daarvoor geen mogelijkheid. Afwijking van een wet in formele zin is alleen mogelijk bij bijzondere omstandigheden, die niet zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die meebrengen dat de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of ander ongeschreven recht, dat die toepassing achterwege moet blijven. [1] De situatie waarin eiser verkeert, voldoet daar niet aan. De wetgever heeft er namelijk bewust en uitdrukkelijk voor gekozen, dat een tegemoetkoming niet meer kan worden verleend als na een lange periode sinds het verstrijken van de aanvraagtermijn alsnog een aanvraag wordt ingediend. Het karakter van inkomensafhankelijke tegemoetkomingen laat volgens de wetgever geen andere uitkomst toe. [2]
4.3.
Hoewel de rechtbank ziet dat eiser kampte met ingrijpende persoonlijke omstandigheden, kon verweerder niet tot een andere beslissing komen dan eisers aanvragen af te wijzen en zijn bezwaren ongegrond te verklaren.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:852.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 9 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3070.