ECLI:NL:RBDHA:2025:9682

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2025
Publicatiedatum
2 juni 2025
Zaaknummer
NL25.19599 en NL25.19622
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 42, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 6:12, tweede lid, AwbArt. 8:72, vierde lid, AwbArt. 8:55d, tweede lid, Awb
Verwijzingen
13 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen 16 weken beslissen op asielaanvragen na overschrijding termijn

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op hun asielaanvragen van 3 januari 2024. De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden is verstreken zonder besluit. Eisers verzochten de minister om alsnog binnen twee weken te beslissen, maar dit bleef uit, waarna zij beroepen indienden.

De rechtbank verklaart de beroepen ontvankelijk en kennelijk gegrond. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State moet de minister binnen een termijn van zestien weken na deze uitspraak een besluit nemen, volgens het ‘8+8 wekenmodel’. De rechtbank legt een dwangsom op van € 100,- per dag overschrijding met een maximum van € 7.500,-, verschuldigd door de minister aan eisers gezamenlijk.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 453,50, gebaseerd op het Besluit proceskosten bestuursrecht en de werkzaamheden van de gemachtigde. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.

Uitkomst: De minister moet binnen zestien weken beslissen op de asielaanvragen, met een dwangsom van €100 per dag bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.19599 en NL25.19622

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[naam],

V-nummer: [nummer],

[naam],

V-nummer: [nummer],
gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. J. Oosterhof),
mede namens hun minderjarige kind:

[naam],

V-nummer: [nummer],
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op hun asielaanvragen van 3 januari 2024.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Zijn de beroepen ontvankelijk en kennelijk gegrond?
2. De minister moet uiterlijk binnen zes maanden na het ontvangen van de aanvragen beslissen. [2] De rechtbank stelt vast dat deze termijn is verstreken. [3] Eisers hebben de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. Dat heeft de minister niet gedaan en eisers hebben vervolgens beroepen ingesteld. [4]
3. De beroepen zijn ontvankelijk en kennelijk gegrond.

Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?

4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvragen. [5] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. [6] Dit betekent dat de minister in principe binnen een termijn van zestien weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.
Welke dwangsom legt de rechtbank op?
5. De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op. [7]
6. De rechtbank bepaalt in deze zaken dat, als de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit op de aanvragen neemt, de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-. [8] De minister is de dwangsom verschuldigd voor eisers gezamenlijk. [9]

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister zestien weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is zij aan eisers een dwangsom verschuldigd.
8. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht. [10] De rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon, waarbij de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek zijn. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50. [11]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om binnen zestien weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvragen bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eisers gezamenlijk een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers gezamenlijk tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A. Smit, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb.
4.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
5.Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
8.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
10.Artikel 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht.
11.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.