ECLI:NL:RBDHA:2025:9570
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit subsidiaire bescherming wegens onvoldoende motivering binnenlands gewapend conflict in Benghazi
Eiser, een Libische nationaliteit, vroeg subsidiaire bescherming aan op grond van artikel 15c van richtlijn 2011/95 vanwege het geweldsniveau in Benghazi, Libië. Verweerder wees de aanvraag af in een besluit van 16 februari 2024, stellende dat geen sprake was van een binnenlands gewapend conflict. De rechtbank deed op 1 april 2025 een tussenuitspraak en gaf verweerder gelegenheid zijn standpunt nader toe te lichten.
Verweerder baseerde zich op beperkte openbare bronnen en stelde dat het geweld in Benghazi niet voldeed aan de criteria voor een binnenlands gewapend conflict. Eiser betwistte dit en leverde uitgebreide landeninformatie en jurisprudentie aan. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende onderzoek had verricht en zijn standpunt niet deugdelijk had gemotiveerd, waardoor het besluit een motiveringsgebrek vertoonde.
De rechtbank benadrukte dat verweerder een integrale beoordeling moet maken van zowel de algemene veiligheidssituatie als de persoonlijke omstandigheden van eiser, conform de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU. Verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen, waarbij hij het bestaan van een binnenlands gewapend conflict en de noodzaak tot subsidiaire bescherming zorgvuldig moet beoordelen en motiveren.
Uitkomst: Het besluit van 16 februari 2024 wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen over subsidiaire bescherming.