ECLI:NL:RBDHA:2025:8961
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening wegens onderduiken is terecht
De minister verlengde de overdrachtstermijn van eiser tot achttien maanden omdat eiser volgens de minister ondergedoken was, waardoor de overdrachtstermijn kon worden verlengd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser stelde dat hij niet ondergedoken was en dat hij niet geïnformeerd was over de ophaaltijd, maar de rechtbank vond de stellingen onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank oordeelde dat de beroepstermijn van vier weken van toepassing was en dat het beroep van eiser binnen deze termijn was ingediend, waardoor het beroep ontvankelijk was. Vervolgens werd inhoudelijk beoordeeld of de minister terecht de overdrachtstermijn had verlengd wegens onderduiken.
Uit het dossier bleek dat eiser tijdens het vertrekgesprek was gewezen op zijn verplichtingen en de consequenties van niet meewerken, en dat hij op 27 januari 2025 niet op zijn COA-locatie was verschenen terwijl hij hierover wel was geïnformeerd. De rechtbank hechtte meer waarde aan het TBBA-formulier dan aan de enkele stelling van eiser.
Daarom concludeerde de rechtbank dat eiser doelbewust buiten bereik van de autoriteiten was gebleven en dat de verlenging van de overdrachtstermijn terecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn blijft in stand.