ECLI:NL:RBDHA:2025:8961

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 maart 2025
Publicatiedatum
22 mei 2025
Zaaknummer
NL25.7268
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 69 VwArt. 6:7 AwbArt. 28 VwArt. 29 DublinverordeningArt. 30 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening wegens onderduiken is terecht

De minister verlengde de overdrachtstermijn van eiser tot achttien maanden omdat eiser volgens de minister ondergedoken was, waardoor de overdrachtstermijn kon worden verlengd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser stelde dat hij niet ondergedoken was en dat hij niet geïnformeerd was over de ophaaltijd, maar de rechtbank vond de stellingen onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank oordeelde dat de beroepstermijn van vier weken van toepassing was en dat het beroep van eiser binnen deze termijn was ingediend, waardoor het beroep ontvankelijk was. Vervolgens werd inhoudelijk beoordeeld of de minister terecht de overdrachtstermijn had verlengd wegens onderduiken.

Uit het dossier bleek dat eiser tijdens het vertrekgesprek was gewezen op zijn verplichtingen en de consequenties van niet meewerken, en dat hij op 27 januari 2025 niet op zijn COA-locatie was verschenen terwijl hij hierover wel was geïnformeerd. De rechtbank hechtte meer waarde aan het TBBA-formulier dan aan de enkele stelling van eiser.

Daarom concludeerde de rechtbank dat eiser doelbewust buiten bereik van de autoriteiten was gebleven en dat de verlenging van de overdrachtstermijn terecht was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7268
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser,
(gemachtigde: mr. F. Jansen),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. K. Kanters).

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de overdrachtstermijn verlengd tot achttien maanden.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, bijgestaan door mr. M.W.F. Hoppenbrouwer, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen J.A. Matti. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bij besluit van 5 december 2025 heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Bij uitspraak van 9 januari 2025 heeft deze rechtbank en deze zittingsplaats,1 het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het besluit van 5 december 2025 staat daarmee in rechte vast.
In het bestreden besluit van 5 februari 2025 heeft de minister de overdrachtstermijn verlengd overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening2 vanwege onderduiken. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2 Verordening (EU) nr. 604/2013.
Is het beroep van eiser ontvankelijk?
3. Op de zitting heeft de minister gesteld dat het beroep van eiser niet-onvankelijk is, omdat eiser pas op 14 februari 2025 beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Volgens de minister had eiser binnen één week beroep moeten instellen. Het besluit dateert van 5 februari 2025 en het beroep had daarom uiterlijk 12 februari 2025 door de rechtbank ontvangen moeten zijn.
4. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift, in afwijking van artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vier weken. In artikel 69, tweede lid, van de Vw staan een aantal uitzonderingen op het eerste lid, waarvoor de beroepstermijn één week bedraagt. Dit is het geval wanneer de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 is Pro afgewezen binnen een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen aantal dagen, niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30, niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a, is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b of buiten behandeling is gesteld op grond van artikel 30c.
5. De uitzonderingen van artikel 69, tweede lid, van de Vw zijn in dit geval niet van toepassing. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in dit geval de termijn van vier weken van artikel 69, eerste lid, van de Vw van toepassing is. Eiser had tot 5 maart 2025 de tijd om beroep in te stellen, uitgaande van de datum van het bestreden besluit. De gemachtigde van eiser heeft op 14 februari 2025 beroep ingesteld. De rechtbank is van oordeel dat het beroep is ingesteld binnen de beroepstermijn en dat het beroep ontvankelijk is. Dit betekent dat de rechtbank het beroep inhoudelijk beoordeelt.
6. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Mocht de minister de overdrachtstermijn verlengen op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening?
7. Eiser stelt in beroep dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de stelling dat hij is ondergedoken. Eiser stelt ter zitting dat hij niet is geïnformeerd over de ophaaltijd. Volgens eiser was hij namelijk op 27 januari 2025 niet op zijn COA-locatie, maar verbleef hij bij zijn broer. Eiser is op 28 januari 2025 ’s ochtends vroeg teruggekeerd naar zijn COA- locatie, maar is nooit opgehaald.
8. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor verantwoordelijke lidstaat om de vreemdeling over te nemen of terug te nemen komt te vervallen. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van die vreemdeling gaat dan over op de verzoekende lidstaat. De termijn van overdracht kan tot maximaal achttien maanden worden verlengd als de vreemdeling onderduikt. Deze bepaling moet zo worden uitgelegd dat een verzoeker onderduikt wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, met het doel om deze overdracht te frustreren.3
9. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het vertrekgesprek op 24 december 2024 is gewezen op zijn verplichting om mee te werken aan de overdracht en wat de consequenties kunnen zijn als hij niet meewerkt. Tijdens dit gesprek is aangegeven dat als eiser niet meewerkt aan zijn overdracht hij het risico loopt dat de uiterste overdrachtstermijn wordt opgeschort. Eiser heeft verklaard dit te begrijpen.
10. De rechtbank stelt verder vast dat eiser tijdens het vertrekgesprek op 21 januari 2025 desgevraagd is geïnformeerd over de geplande overdracht op 28 januari 2025 met een vlucht om 12:45 uur. Dit is voor hem op een papiertje geschreven. Bovendien is dit per brief aan eiser en aan de gemachtigde van eiser bevestigd. Uit het formulier tijdelijk buiten bereik autoriteiten (TBBA-formulier) blijkt dat eiser één dag voor de overdracht, namelijk op 27 januari 2025, door CNO is geïnformeerd over de ophaaltijd. Verder blijkt uit dit TBBA- formulier dat eiser niet is verschijnen op de afgesproken ophaaltijd, niet aanwezig was op zijn kamer of waarneembaar door de autoriteiten elders op het COA-terrein. De rechtbank ziet in eisers enkele stelling dat hij niet is geïnformeerd over de ophaaltijd en dat hij op 28 januari 2025 ’s ochtends vroeg op zijn COA-locatie was voor de overdracht, geen aanleiding om te twijfelen aan de gegevens uit het TBBA-formulier. Wat betreft de ophaaltijd verklaard eiser ook enkel dat op 27 januari 2025 niet aanwezig was op het COA-terrein. Dit betekent evenwel niet dat hij over de ophaaltijd niet kan zijn geïnformeerd. Hij heeft dit ook niet eerder naar voren gebracht dan eerst op zitting. De rechtbank gaat ook daarom uit van de juistheid van het TBBA-formulier.
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister, gelet op het voorgaande, zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser was ondergedoken en is de overdrachtstermijn terecht verlengd.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van K.F.K. Hoogbruin, griffier.
3 Volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Jawo tegen Duitsland van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, punt 62 e.v. en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3630.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
07 maart 2025

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.