ECLI:NL:RBDHA:2025:8748
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf
Eisers hebben op 29 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf. Verweerder bevestigde ontvangst en verlengde de beslistermijn met drie maanden. Na het uitblijven van een besluit stuurden eisers op 7 augustus 2024 een ingebrekestelling. Op 6 maart 2025 werd beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank constateert dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist en dat aan de voorwaarden voor beroep is voldaan. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard en het niet tijdig nemen van een besluit wordt vernietigd.
De rechtbank legt een termijn op waarbinnen verweerder het besluit moet nemen, met mogelijke verlengingen afhankelijk van het aanbieden van herstel van verzuimen of nader onderzoek. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag met een maximum van €15.000 opgelegd bij overschrijding van deze termijn.
Verder wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €453,50 en wordt het griffierecht kwijtgescholden wegens betalingsonmacht. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen een gestelde termijn een besluit te nemen onder dreiging van een dwangsom.