Deze uitspraak betreft het beroep van eiser tegen een terugkeerbesluit opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De minister had het terugkeerbesluit aan eiser opgelegd vóór 4 maart 2024, terwijl de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in eerdere uitspraken had geoordeeld dat derdelanders die vóór het uitbreken van de oorlog tijdelijk verblijf hadden in Oekraïne, pas vanaf 4 maart 2024 verplicht konden worden de Europese Unie te verlaten.
De rechtbank volgt deze lijn en oordeelt dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is omdat het vóór deze datum is opgelegd. Hierdoor is het beroep van eiser gegrond en wordt het terugkeerbesluit vernietigd. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.
De uitspraak is gedaan zonder zitting en bevestigt de rechtsbescherming van derdelanders die onder de tijdelijke beschermingsrichtlijn vallen. De rechtbank verwijst naar relevante uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en de Europese richtlijn 2001/55/EG betreffende tijdelijke bescherming.
De minister moet de proceskosten van € 907,00 vergoeden aan eiser, vastgesteld op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak benadrukt het belang van correcte toepassing van verblijfsregels en beschermingsmaatregelen voor vluchtelingen en derdelanders.