Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Inleiding
Overwegingen
Conclusie en gevolgen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Syrische nationaliteit dragende persoon, diende op 22 mei 2024 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling, omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk werd geacht. Nederland had een verzoek tot terugname bij Kroatië ingediend, dat na heroverweging werd aanvaard.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toepasbaar is vanwege pushbacks, mishandelingen en bedreigingen in Kroatië, en dat hij persoonlijk dergelijke ervaringen had. Tevens stelde hij dat zijn broer rechtmatig in Nederland verblijft en dat er sprake is van een hechte band, waardoor artikel 17 van Pro de Dublinverordening van toepassing zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat Kroatië zijn verdragsverplichtingen niet zou nakomen. De rechtbank volgde de eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak, waarin geen gedocumenteerde gevallen van pushbacks voor Dublinclaimanten in Kroatië zijn vastgesteld. Daarnaast werd geoordeeld dat eiser en zijn broer niet als gezinsleden in de zin van de Dublinverordening kwalificeren, zodat artikel 9 niet Pro van toepassing is.
De rechtbank vond ook geen bijzondere individuele omstandigheden die de toepassing van artikel 17 rechtvaardigen Pro. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening wordt ongegrond verklaard.