ECLI:NL:RBDHA:2025:8061

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2025
Publicatiedatum
9 mei 2025
Zaaknummer
NL25.4168
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Bruinse - Pot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 30a Vw 2000Art. 29 Vw 2000Art. 3.106a Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens onvoldoende belangenafweging minderjarig kind

Eiser diende op 23 november 2024 een asielaanvraag in die door de minister op 27 januari 2025 niet-ontvankelijk werd verklaard omdat eiser internationale bescherming geniet in Oostenrijk. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het minderjarige kind van eiser, ondanks dat eiser internationale bescherming in Oostenrijk heeft.

De rechtbank stelt vast dat de minister de gezinsband niet aannemelijk achtte en dat dit leidde tot de niet-ontvankelijkverklaring. Echter, de minister heeft nagelaten de belangen van het kind, zoals vereist op grond van artikel 3.106a van het Vreemdelingenbesluit 2000 en het EU-Handvest, expliciet te betrekken en te motiveren. De aanvullende motivering tijdens de zitting volstaat niet.

Daarom is het besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd, wat leidt tot vernietiging van het besluit. De minister krijgt de opdracht binnen acht weken een nieuw besluit te nemen waarbij de belangen van het kind en de ingediende documenten betrokken moeten worden. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit van de minister wordt vernietigd en de minister moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen waarbij de belangen van het minderjarige kind worden betrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4168

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.M. Luik).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij heeft op 23 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 januari 2025 deze aanvraag afgewezen als niet-ontvankelijk.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Totstandkoming van het besluit

2. Eiser heeft een eerste aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op 8 oktober 2020 ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 15 december 2020 niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Dat besluit staat in rechte vast. [1]
3. Vervolgens heeft eiser een tweede aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op 17 augustus 2021 ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 15 december 2020 eveneens niet in behandeling genomen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Dat besluit staat in ook rechte vast. [2]
3.1.
Op 23 november 2024 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. In het nu bestreden besluit heeft de minister die aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, in samenhang met artikel 3.106a van het Vb 2000, omdat eiser internationale bescherming geniet in Oostenrijk. Uit Eurodac is gebleken dat eiser sinds 19 november 2022 internationale bescherming heeft in Oostenrijk. Verder heeft de minister in hetzelfde besluit bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000. Eiser voldoet niet aan de voorwaarden, omdat hij de gezinsband niet aannemelijk heeft gemaakt. In dat kader stelt de minister ook dat er meer dan drie maanden zit tussen de vergunningverlening van [persoon A] – eisers gestelde zoon – en eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is in geschil?
4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser het verzoek om internationale bescherming heeft ingediend om herenigd te worden met zijn minderjarige kind. Ook is niet in geschil dat de minister eisers asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij internationale bescherming geniet in Oostenrijk. [3] In geschil is de vraag of de minister een plicht heeft om de belangen van het minderjarige kind te betrekken bij de niet-ontvankelijkverklaring. Verder is in geschil of de minister aan eiser een afgeleide verblijfsvergunning had moeten verlenen op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser wijst op documenten, die de gezinsband aantonen. Eiser heeft deze documenten aan Bureau Documenten toegezonden en kopieën daarvan aan het beroepsdossier toegevoegd.
Belangen van het kind
5. Eiser heeft aangevoerd dat het belang van het minderjarige kind onvoldoende bij de besluitvorming is betrokken. Eiser licht ter zitting nog toe dat hij in het gehoor van 22 januari 2025 heeft verklaard dat [persoon A] zijn vader nodig heeft, veel met eiser belt en vraagt of hij bij hem komt. De moeder van [persoon A] is tijdens de aardbeving in Turkije in 2022 overleden. De rechtbank begrijpt dat eiser deze beroepsgrond aanvoert in het licht van artikel 3.106a, tweede lid van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
6. Nu eiser in Oostenrijk internationale bescherming geniet, wordt in beginsel aangenomen dat hij een zodanige band met Oostenrijk heeft dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan, zoals is bedoeld in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling. [4] Uit die rechtspraak volgt ook dat de minister van dit uitgangspunt moet afwijken als er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden. Zo staat in artikel 3.106a, derde lid, van het Vb 2000 dat bij de beoordeling als bedoeld in het tweede lid alle relevante feiten en omstandigheden betrokken moeten worden, waaronder de aard, duur en omstandigheden van het eerdere verblijf. Hieronder vallen ook de belangen van het kind als bedoeld in artikel 24 van Pro het Handvest van de Europese Unie. [5] De plicht om deze belangen bij de besluitvorming te betrekken volgt ook uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 maart 2021, M.A. tegen België. [6]
7. De minister heeft in het bestreden besluit enkel gesteld dat eiser de gezinsband niet met documenten heeft aangetoond.
8. Gelet op wat onder 6 staat, had de minister de belangen van het minderjarige kind kenbaar bij het bestreden besluit moeten betrekken. Dat de gezinsband tussen eiser en het minderjarige kind niet met documenten is aangetoond, ontslaat de minister niet van de verplichting om de belangen van het kind te wegen. Nu de minister dat niet heeft gedaan is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre dan ook onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Het beroep is alleen al daarom gegrond.
9. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister met de aanvullende motivering tijdens de zitting niet alsnog voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het minderjarige kind. De enkele overweging dat eiser een gezinsherenigingsprocedure heeft lopen, dat eiser deze geduldig moet afwachten, dat eiser verder geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd en dat het bestreden besluit niet zal zorgen voor een onhoudbare situatie voor het minderjarige kind, zonder daarbij overigens in te gaan op wat de belangen van het kind zijn, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende. Zo gelden voor elk kind het belang om bij de ouders te kunnen blijven en het belang om een in veilige leefomgeving te kunnen opgroeien. De minister heeft deze ‘algemene belangen’ niet kenbaar bij het bestreden besluit – in het kader van de beoordeling van het vereiste in artikel 3.106a, tweede lid van het Vb 2000 – betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is het bestreden besluit dan ook niet deugdelijk gemotiveerd.
10. De motivering die de minister vervolgens geeft met het op zitting
subsidiairingenomen standpunt dat het minderjarige kind bij zijn oom verblijft, dat eiser al in Nederland is, dat eiser de gezinsherenigingsprocedure in Nederland mag afwachten en daarmee zij feitelijk bij elkaar zijn, is naar het oordeel van de rechtbank te summier. De minister heeft ook daarmee niet alsnog voldoende rekenschap gegeven van de ‘algemene belangen’ van het minderjarige kind. Ook hiermee is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

11. Gelet op al het hiervoor overwogene is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met het in artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht neergelegde vereiste van een zorgvuldige voorbereiding en het in artikel 3:46 van Pro deze wet neergelegde vereiste van een deugdelijke motivering.
12. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf op de aanvraag te beslissen dan wel om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat het aan de minister is om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beoordeling te maken. De minister zal binnen acht weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit moeten nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak. Ook zal de minister dan de documenten bij de beslissing moeten betrekken, die eiser tijdens de beroepsprocedure heeft ingediend om de gezinsband aan te tonen.
13. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor deelname aan de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 27 januari 2025;
- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op eisers asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Bruinse - Pot, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie uitspraken van deze rechtbank, zp. Amsterdam, van 21 januari 2021 , zaaknummer: NL20.21528 en van ABRvS van 20 oktober 2021, 202106011/1/V3 (beide niet gepubliceerd).
2.Zie uitspraak van deze rechtbank, zp. Amsterdam van 13 oktober 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:5761 (niet gepubliceerd).
3.Zie ABRvS 2 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2668.
4.ABRvS 15 december 223, ECLI:NL:RVS:2023:4685 en 1 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:326.
5.Zie ABRvS 2 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2668.
6.ECLI:EU:C:2021:197, C-112/20.