Eiser is veroordeeld voor een geweldsdelict en meerdere andere strafbare feiten en kreeg een zwaar inreisverbod van tien jaar opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser betwistte dit besluit en voerde aan dat hij geen actuele en ernstige bedreiging vormt en dat de duur van het inreisverbod onterecht is.
De rechtbank overweegt dat op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie van de EU een inreisverbod langer dan twee jaar alleen kan worden opgelegd indien het persoonlijk gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De minister heeft dit voldoende gemotiveerd, mede gelet op het geweldsdelict en de overige strafbare feiten.
Eiser voerde aan dat zijn strafrechtelijke detentie de vertrektermijn onterecht opschortte, maar de rechtbank oordeelt dat dit voor eigen risico is en dat eiser inspanningen had moeten verrichten om terugkeer te bevorderen. Ook de persoonlijke omstandigheden, zoals medische behandeling in Nederland, wegen niet op tegen het inreisverbod omdat vergelijkbare zorg beschikbaar is in Marokko.
Ten aanzien van de duur van het inreisverbod stelt de rechtbank dat het geweldsdelict expliciet genoemd wordt in artikel 6.5a, vijfde lid, Vreemdelingenbesluit 2000, waardoor de minister bevoegd is een tienjarig inreisverbod op te leggen zonder nadere motivering. De minister heeft bovendien de persoonlijke omstandigheden afdoende betrokken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.