ECLI:NL:RBDHA:2025:7572

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 mei 2025
Publicatiedatum
6 mei 2025
Zaaknummer
NL25.423
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Emaus - Visschers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:3 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank verklaart zich onbevoegd in beroep tegen fictieve weigering minister inzake leeftijdswijziging asielzoeker

Eiser, een asielzoeker die bij zijn aanvraag een geboortedatum in 2007 heeft opgegeven, werd door de minister op basis van schouwingen als meerderjarig beschouwd en kreeg een kennisgeving waarbij zijn geboortedatum werd gewijzigd naar 2005. Eiser diende op 20 december 2024 een verzoek in tot aanpassing van zijn leeftijd en gaf aan dat het uitblijven van een reactie als een fictieve weigering zou worden beschouwd, waartegen beroep zou worden ingesteld.

De rechtbank behandelde het beroep op 12 februari 2025 en schorste het onderzoek om de minister gelegenheid te geven te reageren op aanvullende gronden. Na ontvangst van de reactie en een inhoudelijke reactie van eiser sloot de rechtbank het onderzoek zonder tweede zitting.

De rechtbank oordeelde dat de kennisgeving van leeftijdswijziging geen appellabel besluit is en dat het beroep tegen de fictieve weigering daarom niet-ontvankelijk is. Eiser kan zijn leeftijd pas aanvechten bij een besluit op zijn asielaanvraag. De rechtbank verklaart zich onbevoegd en behandelt de zaak niet inhoudelijk. Proceskosten worden niet toegekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen de fictieve weigering van de minister inzake leeftijdswijziging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.423

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 mei 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Pals),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het uitblijven van een reactie van de minister op het verzoek van eiser van 20 december 2024.
1.1.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, samen met zaak NL25.425, op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
1.3.
De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om de minister gelegenheid te geven om op de aanvullende gronden van eiser van 11 februari 2025 te reageren.
1.4.
De minister heeft bij brief van 3 maart 2025 op de aanvullende gronden gereageerd. De gemachtigde van eiser heeft op 17 april 2025 (inhoudelijk) op de brief van de minister gereageerd.
1.5.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een tweede zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een tweede zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een tweede zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het beroep tegen de fictieve weigering van de minister waartegen eiser beroep heeft ingesteld. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser heeft op 5 september 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland, waarop nog niet is beslist. Bij het indienen van zijn asielaanvraag heeft eiser verklaard te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2007. Eiser is geschouwd door zowel de IND [2] als AVIM [3] . Bij beide schouwen is geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. De minister heeft daarom op 8 september 2023 een kennisgeving verzonden, waarin de geboortedatum van eiser is gewijzigd naar [geboortedatum 2] 2005. Onder ‘oude gegevens’ staat op de kennisgeving vermeld de geboortedatum [geboortedatum 2] 2007.
4.1.
Eiser heeft op 20 december 2024 een verzoek tot aanpassing van zijn leeftijd ingediend, waarbij de minister in de gelegenheid is gesteld om binnen twee weken te reageren op het verzoek. Ook heeft eiser aangegeven dat het uitblijven van een reactie zal worden aangemerkt als een fictieve weigering waartegen beroep zal worden ingesteld. Onderhavige zaak betreft de beroepsprocedure tegen die fictieve weigering.
4.2.
Dit beroep is één van drie beroepen waarmee eiser probeert, nog voordat op 8 mei 2025 zijn nader gehoor plaatsvindt, als minderjarige te worden geregistreerd omdat hij bij zijn nader gehoor als minderjarige wil worden behandeld. Hij wil dat de minister uitgaat van de geboortedatum zoals op de kennisgeving vermeld onder ‘oude gegevens’, namelijk [geboortedatum 2] 2007. Eiser heeft, naast dit beroep, ook beroep ingesteld tegen het besluit van de minister tot het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar van eiser tegen de kennisgeving van de gewijzigde identiteitsgegevens (zaaknummer NL25.17944) en tegen het besluit van het COa om hem niet in de minderjarigenopvang op te nemen (zaaknummer AWB 25/194).
Is er sprake van een appellabel besluit waartegen eiser beroep heeft kunnen instellen?
5. De minister stelt zich op het standpunt dat de kennisgeving wijziging leeftijdsgegevens van 8 september 2023 niet via deze weg inhoudelijk aan de orde kan worden gesteld. De kennisgeving is namelijk geen appellabel besluit. De minister verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 december 2024. [4]
5.1.
Eiser betoogt dat de kennisgeving van 8 september 2023 een besluit is dat gericht is op rechtsgevolgen en appellabel is. [5] Eiser is daarnaast rechtstreeks in zijn belang getroffen, omdat hij er bijzonder belang bij heeft om tijdens zijn asielprocedure, met name tijdens het gehoor en de beoordeling van zijn asielaanvraag als minderjarige te worden behandeld zodat er bijzondere waarborgen van toepassing zijn. Eiser wordt op 8 mei 2025 gehoord en het is van belang om de leeftijd vast te stellen voordat een besluit op het asielverzoek wordt genomen. Eiser wijst hierbij op het arrest Darboe en Camara van het EHRM. [6] Als eiser de onjuistheid van de wijziging van de geboortedatum pas in een beroep tegen de beslissing op zijn asielaanvraag aan de orde kan stellen, is geen sprake van een effectief rechtsmiddel. Eiser is dan immers al gehoord en dan is het te laat voor een kindvriendelijk gehoor en overige speciale waarborgen.
5.2.
Bij uitspraak van 18 december 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat de kennisgeving van de gewijzigde identiteitsgegevens een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, maar geen appellabel besluit in de zin van artikel 6:3, van de Awb. [7] De kennisgeving is namelijk een beslissing ter voorbereiding op het besluit van de asielaanvraag. Daarom staat tegen de kennisgeving geen beroep open, tenzij de vreemdeling door de kennisgeving rechtstreeks in zijn belangen wordt getroffen.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat eiser niet via deze weg de kennisgeving wijziging leeftijdsgegevens van 8 september 2023 inhoudelijk aan de orde kan stellen, omdat volgens de Afdeling de kennisgeving wijziging leeftijdsgegevens geen appellabel besluit is in de zin van artikel 6:3 van Pro de Awb. Dat betekent dat in de onderhavige zaak geen beroep open staat tegen de fictieve weigering om een beslissing te nemen ter voorbereiding op het besluit van de asielaanvraag.
5.4.
Eiser kan opkomen tegen de vastgestelde leeftijd als eenmaal een besluit op zijn asielaanvraag is genomen. Tegen dit besluit kan eiser in beroep en hoger beroep opkomen, ook als de asielaanvraag is ingewilligd en eiser alleen wenst op te komen tegen de vastgestelde leeftijd. Als eiser dan gevolgd wordt in zijn gestelde minderjarigheid, dan zal de minister opnieuw een besluit op de asielaanvraag moeten voorbereiden en nemen, waarbij hij rekening zal moeten houden met de minderjarigheid van eiser.

Conclusie en gevolgen

6. De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. De rechtbank beoordeelt de zaak niet inhoudelijk. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus - Visschers, rechter, in aanwezigheid van
mr. S. Berendsen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Immigratie- en naturalisatiedienst.
3.Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel.
5.Eiser wijst ter onderbouwing op Rb. Den Haag (zp Roermond) 26 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:15372.
6.Eiser wijst ter onderbouwing op EHRM 21 juli 2022, ECLI:CE:ECHR:2022:0721JUD000579717 (
7.ABRvS 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5256.