ECLI:NL:RBDHA:2025:7318
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, met de Nigeriaanse nationaliteit, verzocht de rechtbank om het besluit van de minister van Asiel en Migratie te vernietigen waarin zijn asielaanvraag niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.
Eiser stelde dat hij vanwege taalbarrières en onvoldoende medische zorg in Duitsland niet adequaat behandeld zou worden en dat Duitsland zich niet aan Europese richtlijnen houdt. Tevens wenste hij in Nederland te blijven en naar Italië te reizen voor persoonlijke redenen.
De rechtbank overwoog dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat lidstaten hun verplichtingen nakomen, en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in Duitsland een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.
Ook achtte de rechtbank dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat de discretionaire bevoegdheid van de minister op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro toegepast had moeten worden. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.