ECLI:NL:RBDHA:2025:6650
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing mvv-aanvraag wegens ontbreken van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen meerderjarige familieleden
Eiseressen, meerderjarige zussen van de referent die sinds 2014 in Nederland verblijft, hebben een mvv-aanvraag ingediend voor verblijf als familie- of gezinslid. De minister wees deze aanvraag af omdat er volgens hem geen sprake was van een zodanige afhankelijkheid tussen hen dat zij zonder elkaar niet kunnen functioneren, en dus geen gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2025 behandeld en beoordeelt dat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. De minister heeft alle relevante feiten en omstandigheden, waaronder medische situaties en emotionele banden, voldoende gemotiveerd betrokken. De situatie van eiseressen en referent toont dat zij zich ook zonder elkaar staande kunnen houden.
Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de wens van wederzijdse ondersteuning, is dit onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. De verwijzing naar een EHRM-arrest waarin sprake was van ernstige geestelijke beperking en continue zorg is niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak.
De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er geen familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro bestaat tussen eiseressen en referent en verklaart het beroep ongegrond. De afwijzing van de mvv-aanvragen blijft daarmee in stand en er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.